De Archeo-Futuristische Revolutie

Een meta-politieke uitbraak uit het anti-filosofische Gestell van de postmoderniteit. Over Jason Reza Jorjani’s Prometheus and Atlas.

door Alexander Wolfheze

Hoofdstuk 8 uit Alba Rosa. Tien Traditionalistische opstellen over de Crisis van het Moderne Westen (Londen: Arktos: 2019)

audax Japeti genus

De terugkeer van Nibiru

Nēberu nēberet shamê u ertseti lū tamehma

[Laat Nibiru de voorde tussen hemel en aarde bezetten]

– Enuma Elish

Voor oudere generaties die zijn geschoold in de intellectuele traditie van het Europese vasteland mag het onwaarschijnlijk lijken, maar de strekking van dit opstel is dat Amerika toch nog een echte filosoof heeft voortgebracht. Het moge duidelijk zijn dat het snobisme en de neerbuigendheid van oudere Europese intellectuelen ten opzichte van het jonge Amerika meer wordt ingegeven door Europa’s naoorlogs geopolitieke inferioriteitscomplexen dan door Europa’s feitelijke naoorlogse intellectuele wapenfeiten. Maar feit blijft dat de term ‘Amerikaanse filosoof’ nog steeds algemeen wordt gelezen als een contradictio in terminis. Het zou natuurlijk zomaar kunnen zijn dat veel Amerikanen deze kwalificatie door ‘Oud Europa’ per saldo als een compliment opvatten. Hoe dan ook is de opkomst van een échte filosoof in Amerika nieuws – of het goed of slecht nieuws is, zal afhangen van politieke kleur en intellectuele oriëntatie. Voor zijn ethno-nationalistische critici zal zijn ‘on-Amerikaanse’ naam – Jason Reza Jorjani – al bij voorbaat reden voor diskwalificatie zijn. Maar voor Traditionalistische denkers verklaart die naam direct het geheim: blijkbaar heeft het Oude Wereld genie van de formidabele Perzische filosofie op één of andere wijze de kop opgestoken in de Nieuwe Wereld. Op mysterieuze wijze heeft een klein stekje van filosofisch leven zich genesteld in de dunne korst van de anti-intellectuele Amerikaanse ‘smeltpot’ en heeft het de hedonistisch oververhitte ‘Amerikaanse droom’ overleeft. Op onverwachte wijze bewijst dit verschijnsel dat er waardevolle elementen kunnen zitten tussen de honderdduizenden Iranese immigranten die sinds de ‘Islamitische Revolutie’ naar het Westen zijn gestroomd: zij zijn dus niet allemaal asiel fraudeurs, criminele opportunisten en popcultuur klonen. Wellicht kan één Jorjani opwegen tegen de hele miljoenen sterke ‘Iraanse diaspora’ in het Westen (zo wie zo een verhoudingsgewijs lichte last – Iraniërs behoren tot de best assimileerbare immigranten), mits zijn rol als avant garde filosoof, identitair idealist en kritisch geopolitiek denker juist wordt begrepen. Het is goed mogelijk dat hij zijn echte meesterwerk nog moet schrijven en dat hij nog niet alles heeft gedaan wat hij kán doen (als zijn jaloerse vijanden hem tenminste de tijd en ruimte laten om zijn talent te ontwikkelen), maar zijn werk Prometheus and Atlas – uitgegeven door Arktos voordat hij daar John Morgan hoofdredacteur opvolgde – heeft zijn reputatie als pionier-filosoof stevig neergezet. Jorjani’s oeuvre, dat nu ook World State of Emergency en Lovers of Sophia omvat, staan op het scherp van de snede van het hedendaagse Westers denken.

Jorjani’s verschijning op het Westers filosofisch toneel komt op een kritisch moment in de Westerse beschavingsgeschiedenis: de restvolkeren van het Westen, geconfronteerd met de viervoudige ‘uitdaging’ van klimaatramp, ‘omvolking’, sociale implosie en transhumanisme, naderen de waarnemingshorizon van de Westerse geschiedenis. Vanuit Traditionalistisch perspectief betekent deze naderende world state of emergency niets minder dan dat de Westerse volkeren aan de vooravond staan van de ultieme test van hun geschiedenis. In die ultieme crisis is het onvermijdelijk dat de archetypische oerkrachten die hen ooit in het verre, ongeschreven verleden hebben geschapen nog eenmaal zichtbaar zullen worden – al was het alleen maar op het moment suprême van hun mors triumphalis. Jorjani bestudeert deze krachten en archetypes niet alleen door het prisma van de oudste lagen van de Indo-Europese mythologie, maar wijst ook op hun epistemologische relevantie ten opzichte van transhumanistische en futuristische technologieën. Jorjani’s unieke specialisatie in abstracte en toegepaste parapsychologie stelt hem in staat hybride technologieën als cybernetica, bioinformatica, kunstmatige intelligentie en psychotronica van een historisch kader te voorzien. Een groot deel van Jorjani’s Prometheus and Atlas is gewijd aan deze onderwerpen – en leest beter dan de meeste hedendaagse science fiction literatuur. Uiteindelijk zou het heel goed kunnen dat deze innovatieve benadering van transhumanistisch-futuristische technologie de belangrijkste filosofische prestatie is van Prometheus and Atlas. Een substantiële tweede prestatie is echter de wijze waarop het Westerse denkers dwingt tot herbezinning op de historische relevantie van de archaïsche Perzische Traditie voor de Westerse Traditie als geheel: Prometheus and Atlas eigent zich dit lang-vergeten gedeelde erfgoed weer toe. Door het begrip ‘Arisch’ terug te brengen tot zijn etymologische grondbetekenis van ‘adellijk’ – en over zijn historische associatie met de gefaalde experimenten van de 20e eeuw heen te stappen – wordt een belangrijk archetypisch en ideaal element van dat erfgoed weer toegankelijk. Jorjani wijst terecht op het feit dat een herbronning van dit gedeelde Indo-Europese erfgoed een essentiële voorwaarde is om te komen tot een nieuw – en ‘duurzaam’ – meta-politiek en geopolitiek Westers wereldbeeld. Het is de stelling van dit opstel dat Prometheus and Atlas een belangrijke bijdrage levert aan de opbouw van dat nieuwe wereldbeeld – en daarmee potentieel aan het meta-politieke discours van de Westerse identitaire beweging.

Gezien Jorjani’s expliciete afwijzing van de beginselen van philoSophia Perennis, mag de Traditionalistische benadering van Prometheus and Atlas, zoals beoogt in dit opstel, nogal vreemd aandoen. Maar het is belangrijk in herinnering te brengen dat Jorjani zelf de waarde van een dialectische benadering – in zijn ogen een essentieel element binnen de Westerse filosofische traditie – benadrukt. Ervan uitgaande dat de Westerse beschaving op de drempel van haar definiërende eindfase staat – vooropgesteld dat zij de ultieme test van de geschiedenis fysiek überhaupt overleeft – dan moet worden aangenomen dat een synthese van Traditie en Moderniteit aanstaande is. Het historisch va banque traject van de Westerse Moderniteit, nu openlijk geïmplementeerd door de Cultuur-Nihilistische hostile elite in haar etnische vervanging van de inheemse volkeren van het Westen en in haar extreme neo-liberale globalisme, wijst overduidelijk in de richting van een aanstaande crisis. In zijn boek The Sunset of Tradition heeft de schrijver van Alba Rosa de ontwikkeling van de Westerse Moderniteit eerder benaderd vanuit een Traditionalistisch perspectief – een perspectief dat Jorjani’s Archeo-Futurische perspectief op de aanstaande World State of Emergency feitelijk aanvult. Gecombineerd doen deze perspectieven vermoeden dat er een historische ruimte aan het ontstaan is voor een beschavingssynthese: theoretisch gesproken biedt die ruimte een eenmalige kans op een zelfovertreffende zelfvernieuwing van de Westerse beschaving – een onvermoede omslag in het historische degeneratie proces van de ‘Ondergang van het Avondland’. De weinige authentieke denkers die de oude muren van het Avondland nog bewaken in de huidige nacht van de Westerse beschaving moeten deze eenmalige kans nauwgezet bestuderen: het is aan hen om de eerste tekenen van een mogelijke ‘Gouden Dageraad’ correct te duiden. Vanuit Traditionalistisch perspectief kan Jorjani’s werk worden beschouwd als één van de eerste pogingen binnen de Westerse filosofie om heen ten stappen over de waarnemingshorizon van de Westerse geschiedenis. Eén van de uitdrukkingen van deze overgang in Traditionele symboliek is de terugkeer van de ‘tegen-planeet’ aan het einde van elke Traditionele tijdscyclus: deze terugkeer behelst een macro-kosmische ‘wraakoefening’ die de menselijke microkosmos zuivert en herstelt. Dit is tevens de uiteindelijke grondbetekenis van het thema van de ‘terugkeer van Nibiru’, een thema dat de status van vermakelijke ‘complot theorie’ per saldo ver overstijgt.

De Postmoderne Prometheus

Zet zeil – zet koers naar het diepste water…
Want wij zijn voorbestemd daar te varen waar geen zeeman ooit is voorgegaan,
En wij wagen het schip, onszelf – alles.

– Walt Whitman

Het is belangrijk dat een bespreking van de meta-politieke relevantie van Prometheus and Atlas voor de identitaire beweging vooraf wordt gegaan door een korte filosofische achtergrondschets. Als de identitaire beweging meer wil zijn dan een politieke eendagsvlieg, dan is meta-politieke diepgang een levensvoorwaarde. Als de identitaire beweging kortzichtig politiek pragmatisme en oppervlakkige ethno-nationale retoriek niet kan ontgroeien, dan is zij gedoemd tot een vroegtijdige bijzetting in het rariteitenkabinet van de geschiedenis. Daarmee verliezen de Westerse volkeren dan tegelijk hun beste – en waarschijnlijk laatste – kans om de aankomende crisis van de Westerse Moderniteit in herkenbare vorm te overleven. Het is met deze realiteit in gedachte dat deze en de volgende paragraaf Jorjani’s werk kort in een filosofische context willen zetten. Deze paragraaf zal een Traditionalistische context geven – de volgende paragraaf een Archeo-Futuristische.

Vanuit Traditionalistisch oogpunt bevat Jorjani’s pionierswerk veel ‘riskante’ ideeën – sommige daarvan zijn direct relevant voor de grondbeginselen van het Traditionalistisch gedachtegoed. Nog afgezien van het feit dat onverschrokken experimenten volledig legitiem zijn in elk substantieel filosofisch début, moet echter begrepen worden dat Jorjani’s ideeën in de eerste plaats nuttig en nodig zijn. De Traditionele School, die aanvangt met Guénon en die haar zenit vindt in Evola, heeft haar einde bereikt in het werk van Seyyed Hossein Nasr – zij is nu geschiedenis. Buiten zijn hermeneutische functionaliteit is het Traditionalisme nu gereduceerd tot een esoterisch discours en een apolitiek wereldbeeld. Zijn ideeën en idealen zijn alleen nog relevant in zoverre ze bruikbaar en inpasbaar zijn in toekomstige vormen van filosofie en historiografie. Ze kunnen alleen worden opgenomen in nieuwe gedachten architecturen, zoals het Archeo-Futurisme en in de grotere filosofieën en kunsten die het Archeo-Futurisme zullen opvolgen, voor zover ze hun beproeving door de tand des tijds kunnen doorstaan. Maar totdat deze grotere filosofieën en kunsten zich hebben aangediend, zal het Traditionalistisch gedachtegoed de hoogste standaard blijven waartegen nieuwe ideeën en idealen kunnen worden afgemeten. Vanuit die optiek is het belangrijk dat Jorjani’s kernideeën worden afgemeten tegen een Traditionalistische standaard. Twee van zijn ideeën zijn daartoe speciaal geëigend, namelijk zijn analyses van (1) de opdoemende beschaving van een ‘Nieuw Atlantis’ en (2) de meta-historische positie van de overblijfselen van de Abrahamitische godsdiensten.

(1) Jorjani’s schets van een toekomstige Atlantische wereld orde – een wereldorde die de titanische natuur, het kosmopoliete traject en de demonische krachten van het klassieke Atlantis spiegelt – zet de gevaren van hemelstormend cultureel universalisme en technologische ecocide in filosofisch perspectief. Het zijn inderdaad precies de vormen van anti-culturele en ecocidale kaalslag die kenmerkend zijn voor de ‘Nieuwe Wereld Orde’ die zich sinds de val van de Sovjet Unie vanuit de Atlantische Anglosfeer over de wereld verspreidt. De transformatie van deze proto-Atlantische Nieuwe Wereld Orde in een positieve kracht is ongetwijfeld de grootste geopolitieke uitdaging waarmee het hedendaagse Westen geconfronteerd wordt. Jorjani’s subtiele houding ten opzichte van een alternatief ‘Nieuw Atlantis’ project herinnert alle critici van de Nieuwe Wereld Orde en haar Cultuur-Nihilistische hostile elite eraan dat een terugkeer tot premodern primitivisme geen optie is. Als de Westerse beschaving wil overleven in een cultuur-historisch herkenbare vorm, dan zal zij de techno-wetenschap van de Moderniteit moeten absorberen, incorporeren en overmeesteren: deze wetenschap zal getemd, onderworpen en overleefd moeten worden. Russische Eurasianisten en Westerse identitairen dienen zich rekenschap af te leggen van de archetypische dynamiek van de ‘Atlantische Moderniteit’ die wordt blootgelegd door Jorjani. Het is voor hen van essentieel belang om kennis te nemen van Jorjani’s analyse van de ‘Atlantiserende’ metamorfose van Japan na het nucleair bombardement van 1945. Deze apocalyptische mokerslag resulteerde in de materiaal gehybridiseerde en psychologisch ontwortelde cultuur van het hedendaagse Japan – en zette een historisch precedent dat een belangrijke waarschuwing in zich draagt. Jorjani’s analyse herinnert de identitaire critici van de globale Nieuwe Wereld Orde – nu wankelend onder aanwakkerend inheems verzet in haar Westerse hartland – aan de immense fysieke kracht van hun vijand. De Cultuur-Nihilistische hostile elite kan altijd terugvallen op de pure brute kracht van haar geweldsmachinerie: dat zij dat uiteindelijk zal doen moet als vanzelfsprekend worden aangenomen – en de gewonde slang bijt het diepst. De Westerse hostile elite bewoont een mentale cocon – zij is ethisch en cognitief afgesneden van de realiteit. Dat betekent dat ze zich in toenemende mate irrationeel zal gaan gedragen in steeds wanhopiger pogingen om zich vast te klampen aan haar afbrokkelende macht. Geconfronteerd met het uitblijven van haar wensdroom van het ‘einde van de geschiedenis’ en met groeiende geopolitieke tegenstand is het zeer wel mogelijk dat de hostile elite haar toevlucht zal nemen tot va banque strategieën zoals decapitation strike en shock and awe. Wanneer haar Umvolkung strategie binnen het Westerse thuisland krachtiger weerstand ontmoet bij de inheemse Westerse volkeren, kan zij haar toevlucht nemen tot gewelddadig totalitaire overlevingsstrategieën tegenover het binnenlands verzet – misschien zelfs tot een uitgelokte ‘burgeroorlog’ ter uitroeiing van de inheemse bevolking als geheel. Een koele lezing van de Moderne geschiedenis leert dat de Moderniteit de Traditie niet versloeg met haar superieure filosofie, met haar soft power manipulatie of met haar materialistisch-hedonistische verdovingsmiddelen. Uiteindelijk won de Moderniteit alleen door de volstrekt koudbloedige – en geraffineerd sadistische – toepassing van militaire kracht, ondersteund met technologische ‘zwarte magie’: dit is de essentie van Jorjani’s Promethium Sky over Hiroshima. Hier is een Jorjaniaanse – diep archeologische en mythologische – lezing van de Moderne geschiedenis uitermate relevant voor het opkomende buitenlandse en binnenlandse verzet tegen de Nieuwe Wereld Orde. De opkomende ‘anti-thalassocratische’ Eurasiatische beweging in Rusland en Oost-Europa begint al tekenen te vertonen van zulk realisme, zoals zichtbaar in Doegin’s concept van de ‘Laatste Oorlog van het Wereldeiland’. De opkomende identitaire beweging in het Westen zou er goed aan doen zich rekenschap te geven van de implicaties van Jorjani’s analyse: zij dient na te denken over het ultieme vooruitzicht van totalitaire onderdrukking, geforceerde kolonisatie, inheemse sociale implosie en geprovoceerde burgeroorlog. Dit vooruitzicht vergt niet alleen sterke zenuwen en stalen vastberadenheid, maar ook koelbloedige calculatie en rationele voorbereidingsstrategieën.

(2) Jorjani’s schets van de oude Abrahamitische godsdiensten als anachronistische megalomane projecten van menselijke slavernij en onderwerping, gebaseerd op bovennatuurlijke interventies door onmenselijke – en uiteindelijke kwaadwillende – geesteskrachten, kan worden beschouwd als een ‘militante’ Archeo-Futuristische verwoording van de Traditionalistische these dat bijna alle institutionele ‘godsdiensten’ die over zijn gebleven in de hedendaagse wereld feitelijk inversies – en perversies – zijn van de authentieke godsdiensten van de vergane wereld van de Traditie. Het verschil is dat Jorjani deze godsdiensten beschouwd als zijnde oorspronkelijk geanimeerd door negatieve geesteskrachten, terwijl het Traditionalisme ervan uit gaat dat hun oorsprong ligt in een positief Transcendent krachtenveld met een kostbare anagogische functionaliteit. Vanuit Traditionalistisch perspectief is het echter evenzo waar dat hoewel de resten van deze authentieke godsdiensten – althans op het puur persoonlijk en zuiver esoterisch niveau – nog steeds sporen kunnen bevatten van existentieel-spirituele relevantie, ze nu op een collectief en exoterisch niveau bijna allemaal onderhevig zijn aan de degeneratieve en ondermijnende processen van de ‘Kali Yuga’ Moderniteit. Abstract gesproken kunnen de hedendaagse uiterlijke godsdienstvormen nog een zekere mate van monumentale ‘herinneringswaarde’ hebben, maar concreet gesproken betekent de historische afsluiting van de Transcendente sfeer in de Moderne Tijd dat deze ‘omgekeerde’ godsdiensten nu ‘bezeten’ zijn door ondermenselijke krachten die opereren in een psychisch vacuüm van collectief narcisme en die hun werking grotendeels ontlenen aan intercultureel ressentiment. Zonder dat dit persoonlijke religieuze overtuigingen en religieuze keuzes hun waarde ontneemt, betekent deze analyse dat het belangrijk is de algemene neerwaartse spirituele spiraal te herkennen die de georganiseerde en institutionele religies van de Moderniteit kenmerkt – dit is de essentie die besloten ligt in het besef te leven in de ‘laatste dagen’. In algemene zin erkent Jorjani dat de ‘valse religies’ van de hedendaagse wereld feitelijk demonisch ‘bezeten’ namaaksels zijn: programma’s van sociaal-politieke manipulatie, vaak ten behoeve van de bio-evolutionaire groep strategieën van ‘primitieve’ volkeren. Als toegewijd Perzisch nationalist is duidelijk dat Jorjani’s militante houding ten opzichte van de Abrahamitische godsdiensten wordt ingegeven door Iran’s hoogst traumatische historische ervaring met militante vormen van de politieke Islam. Zijn visie van een Prometheaanse opstand tegen de ‘ene ware god’, de ‘god’ gepropageerd door godsdiensten als de atavistische ‘Moderne Islam’, is volledig begrijpelijk tegen deze achtergrond. Iedere Iraniër die werkelijk bekend is met het grootse verleden van keizerlijk Iran kan het worden vergeven wanneer hij met wrok kijkt naar het sociaal-politieke primitivisme van het huidige pseudo-Islamitische regime. Hoe dan ook blijft Jorjani’s kernargument staan: de tegenstelling tussen het mentaal ‘gesloten’ atavisme van de ‘omgekeerde godsdiensten’, overheersend bij de ‘primitieve’ volkeren van Azië en Afrika, en de Faustiaanse ‘openheid’, overheersend bij de ‘ontwikkelde’ volkeren van Europa en Amerika, ligt zonder twijfel ten grondslag aan de dialectiek van de hedendaagse globale meta-politiek en geopolitiek. Door expliciet te wijzen op de ‘demonische’ sturing van de resulterende conflicten bevestigt Jorjani’s Archeo-Futuristische ‘dialectische’ analyse feitelijk de Traditionalistische these dat de Moderniteit, geboren in de het Duistere Tijdvak aan het eind van de Westerse beschavingscyclus, oorspronkelijk een niet-menselijk fenomeen is. Hoewel opererend door menselijke agency, menselijke ideeën en menselijke instituties is de Moderniteit uiteindelijk gericht op on-menselijke belangen. Het Traditionalisme laat daarbij de ruimte voor het gebruik van de term duivelse belangen – Jorjani verwoordt ze als Luciferiaans.

Gelegd naast de meetlat van de Traditionalistische standaard is het duidelijk dat Jorjani’s werk per saldo epistemologisch geldig is. De volgende stap is te bepalen wat de positie ervan is binnen de hedendaagse filosofie en wat de relevantie ervan is ten opzichte van de identitaire meta-politiek.

De opkomst van het Archeo-Futurisme

Des te verhevener de goede zaak, des te minder belangrijk het aantal voorvechters. Een leger is nodig om een volk te verdedigen,
maar slechts één man is genoeg om een idee te verdedigen.

– Nicolás Gómez Dávila

Meta-politiek gezien vertegenwoordigt Jorjani’s werk alweer een nieuw – dit keer zeer substantiële – bres in het dominante Postmoderne ideologisch discours van het Cultuur-Nihilisme, gekenmerkt door seculier nihilisme, globaliserend neo-liberalisme, narcistisch hyper-individualisme en extreem cultuur-relativisme. Vanuit meta-politiek perspectief kan Jorjani’s werk geplaatst worden in het – nogal vage – spectrum van het ‘Archeo-Futurisme’, een filosofische school die historisch gerelateerd aan wat – nogal ironisch – wordt aangeduid als de ‘Donkere Verlichting’. Beide termen, meest laatdunkend gebruikt door de ideologische vijanden van alles wat maar enigszins ‘antidemocratisch’ en ‘reactionair’ lijkt, dekken feitelijk slecht hun lading – maar faute de mieux zijn ze nuttig als tijdelijke verkeersborden. Vanuit Traditionalistisch perspectief zijn beide bewegingen ideologische hybriden – een onvermijdelijk gevolg van hun Postmoderne historische context. Ze neigen tot affiniteit met bepaalde elementen van de Moderniteit (technologische innovatie, wetenschappelijke exploratie, futuristische esthetiek), maar onder afwijzing van haar nihilistische, materialistische en relativistische ideologieën en levenshoudingen. Het is wellicht beter te zeggen dat deze bewegingen eerder neigen tot associatie met ‘tijdloze’, dan met ‘archaïsche’ alternatieven voor Modernistische ideologieën en levenshoudingen. Ze neigen ertoe de ideeën van de Verlichting, die aan de basis liggen van de Moderniteit, te verwerpen juist omdat ze deze ideeën associëren met spirituele en intellectuele duisternis in plaats van licht. In dit opzicht delen het Archeo-Futurisme en de Donkere Verlichting in aanzienlijke mate het Traditionalistische wereldbeeld, waarin de Moderne Tijd wordt beschouwd als het equivalent van de kosmische ‘Donkere Tijdvak’ (de Christelijke ‘Eindtijd’, de Vedische ‘Kali Yuga’, de Spengleriaanse ‘Wintertijd’). Maar ze verschillen van het Traditionalisme in de ‘operationele capaciteit’ van hun meta-politieke discours: hun discours biedt niet alleen een basis voor activistische deconstructie van het politiekcorrecte Cultuur-Nihilistisch discours, maar ook voor identitair-revolutionaire politiek. Met andere woorden: het Archeo-Futurisme en de Donkere Verlichting hebben het potentieel vermogen om uit te groeien tot volledige operationele sociaal-politieke ideologieën en effectieve politieke programma’s. Dit vermogen is nu al duidelijk zichtbaar in de gedeeltelijke incorporatie van hun gedachtegoed in de Westerse identitaire beweging.

Gedurende de afgelopen decennia hebben de institutionele en academische disciplines van de geestes- en de sociale wetenschappen bijna hun gehele geloofwaardigheid en respect bij de jongere generaties van de Westerse wereld verspeeld – en dat is terecht. De antirationele hallucinaties en het Social Justice Warrior activisme die voortvloeien uit de Cultuur-Nihilistische ideologie hebben wetenschappelijke criteria en intellectuele integriteit doen vervangen met politiekcorrecte dogmatiek. De opzettelijke dumbing down die wordt geïmplementeerd via hyper-democratische massascholing heeft basale onderwijskwaliteit weggevaagd. De overname van academische structuren door affirmative action creaturen heeft geresulteerd in een ‘idiocratische’ tirannie van incompetente en haatdragende feministische en minderheid activisten. De institutionele en academische disciplines van de geestes- en de sociale wetenschappen zijn daarmee effectief gereduceerd tot werktuigen van ideologische censuur en intellectuele onderdrukking ten dienste van de Cultuur-Nihilistische hostile elite. Hun politieke gecompromitteerde en ideologisch ingekapselde vertegenwoordigers zijn nu volledig deel geworden van die hostile elite: ze hebben het prestige en de erfenis van de Traditionele Westerse institutie geheten ‘Academie’ in de uitverkoop gedaan. De academische elite is nu opgesplitst in twee delen: aan de ene kant zijn er de ‘technocraten’ van de exacte wetenschappen, nog steeds geloofwaardig binnen hun kleine specialisaties maar zonder meta-politiek gezag ten aanzien van maatschappelijke vraagstukken, en aan andere kant zijn er de pseudo-wetenschappers die de ruïnes van de geestes- en sociale wetenschappen bezet houden – die tweede groep vervult nu effectief de rol van de ‘priesterklasse’ van het Cultuur-Nihilistische establishment. Zolang de ‘technocraten’ zich beperken tot de mondaine taken van technologisch onderzoek en industriële ontwikkeling worden ze nog getolereerd als deel van de Postmoderne academische elite – hier vindt men de laatste restanten van de vroegere geheel blanke en geheel mannelijke intellectuele avant garde van de Westerse beschaving. Daarbuiten wordt de rest van de oude Academie vrijwel geheel beheerst door het ressentiment van de creaturen van de politieke correctheid: deze ambitieuze homines novi – ‘tweede golf’ feministen, ‘gender’ activisten, ‘diversiteit’ promotors en andere Social Justice Warriors – hebben nu de maatschappelijke positie van de vroegere Westerse clerus overgenomen. Deze nieuwe hoge priesters van het Cultuur-Nihilisme werken hand in hand met de kartels van parlementaire politiek en systeempers voor de handhaving en verdieping van de Postmoderne sociaal-politieke status quo in de gehele Westerse wereld – en ze doen dat op een in toenemende mate openlijk dictatoriale wijze. Media (zelf)censuur en politiekcorrecte heksenjacht bereiken inmiddels epidemische proporties – het zijn zekere symptomen van de stijgende wanhoop van de Cultuur-Nihilistische hostile elite.

Met de val van de Brave New World utopieën van de baby boomer generatie en met de opkomst van een digitaal bevrijde en politiek immune nieuwe generatie nadert het Cultuur-Nihilisme het punt waarop het zijn historische Nemesis zal ontmoeten. In toenemende mate worden de pseudoacademici van de Cultuur-Nihilistische hostile elite ontmaskerd en herkend voor wat ze zijn: lafhartige huurlingen die hun holle status en privilege ontlenen aan een collectief verraad van alle vormen van authentieke gemeenschap, authentieke identiteit en authentieke wijsheid. Jordan Peterson’s recente onthullingen over de Westerse academische ‘anti-elite’ volgen nu Charlotte Iserbyt’s eerdere onthullingen over het Westerse lagere and middelbare ‘anti-onderwijs’ systeem. Samen leggen ze de grotere Cultuur-Nihilistische agenda van ideologische indoctrinatie en opzettelijke dumbing down bloot. Deze exponenten van het Post-Postmoderne ‘Nieuwe Realisme’ zijn de voorboden van het aanstaande instorten van het Cultuur-Nihilisme. De wanhopige pogingen van de hostile elite om het wankelende ideologische kaartenhuis van het Cultuur-Nihilistme (seculier nihilisme, globaliserend neo-liberalisme, narcistisch hyper-individualisme, cultuur-relativisme) overeind te houden nemen in toenemende mate totalitaire vormen aan, zoals zichtbaar in gewelddadige provocaties (‘Charlottesville’), arbeidsplaats intimidatie (Google’s ‘diversiteit agenda’) en digitale censuur (Alt-right’s deplatforming) – maar uiteindelijk is het gedoemd in elkaar te klappen. Een vasthoudende strategie van media blackouts, zoals in geval van de Keulse Silvesternacht, de Britse grooming gangs, de Franse enfer des tournantes en de Zuid-Afrikaanse plaasmoorde, mag het leven van de Cultuur-Nihilistische hostile elite nog enige tijd kunstmatig verlengen, maar kan het niet redden. In de politieke arena zal het Cultuur-Nihilisme worden weggespoeld door de aanzwellende vloed van de Westerse identitaire beweging. In de intellectuele arena is het allang verdronken – de eerste golfjes van het Archeo-Futurisme waren al teveel. Jorjani’s bijdrage aan de lang uitgestelde euthanasie van het Cultuur-Nihilisme is aanzienlijk: als medeoprichter van de Alt-right beweging en als hoofdredacteur van uitgeverij Arktos, maar bovenal als onafhankelijk Archeo-Futuristisch denker. Tot nu toe heeft hij al wat menselijk mogelijk is gedaan om het identitaire verzet tegen het Cultuur-Nihilisme te versterken. Het is nu tijd voor alle identitaire denkers en activisten om zich af te vragen of zij hetzelfde van zichzelf mogen zeggen – en om zich te beraden op de voortgang van de Westerse identitaire beweging als geheel.

Μολὼνλαβέ

En de oude beloning te oogsten:
de afgunst van hen die u betere mensen maakt,
de haat van hen die u bewaakt

– Rudyard Kipling

De jonge intellectuelen van het Westen verlaten momenteel in hoog tempo het zinkende schip van de institutionele geestes- en sociale wetenschappen. Terwijl de oude baby boomer elite en haar aangewezen feministische en allochtone opvolgers zich nog vermaken op het bovendek, is de schijnbaar onzinkbare Titanic van het Westerse academische kartel al geruisloos begonnen vol te lopen. Jonge speurders, studenten en geleerden stappen in de reddingsloepen, maar ze staren uit over een donkere oceaan zonder navigatie punten. Het intellectuele en ideologische alternatief voor de gedoemde Titanic van het Cultuur-Nihilisme zijn de duistere en koude wateren van een ‘Nieuw Realisme’ dat nog niet in kaart is gebracht. Na de schipbreuk van het Postmoderne Westen beschikt de génération identitaire nog slechts over een paar levende intellectuele navigators: een handjevol institutioneel gemarginaliseerde en publiekelijk verketterde denkers. In de overzeese Anglosfeer zijn er Kevin MacDonald (1944), Jared Taylor (1951), Jordan Peterson (1962) en Stefan Molyneux (1966). In Europa zijn er Alain de Benoist (1943), Roger Scruton (1944), Guillaume Faye (1949), Robert Steuckers (1956) en Aleksandr Doegin (1962). Er is bij jonge mensen veel moed voor nodig om het taboe op hun werk te doorbreken. Verspreid over het hele Westen zijn er nog andere, minder bekende en onbekende schrijvers en activisten die hen in hun queeste voor zijn gegaan – de paar baby boomers en x-generatie individuen die de moed hebben gehad om tegen de stroom in te zwemmen. Maar nog altijd is deze anti-establishment avant garde jammerlijk onontwikkeld: zij is onderbezet in personeel, verstoken van middelen en vaak gedwongen bijna ondergronds te werken. Tegen het monsterlijk machtige leger van gekochte journalisten, academici, juristen en politici dat de Westerse hostile elite ter beschikking staat maakt deze kleine avant garde natuurlijk geen schijn van kans – maar hun dappere stand zal niet worden vergeten.

Terwijl zij hun heroïsche achterhoede gevecht voeren, winnen die paar oudere generatie voorposten een kostbare adempauze waarin de jonge generatie van het Westen zich kan organiseren en voorbereiden voor de beslissende eindstrijd tegen het Cultuur-Nihilisme. Gedekt door de lange achterhoede strijd van de anti-establishment avant garde kan de Westerse génération identitaire zich wapenen om de onvermijdelijke nederlaag en het heroïsche offer van die avant garde te wreken. De formidabele en urgente taak om de hele Westerse génération identitaire intellectueel te bewapenen en mentaal toe te rusten vereist dat onverschrokken jonge intellectuelen nu geheel nieuwe meta-politieke kaders en recepten formuleren. Jorjani heeft zich daarin bewezen – zijn onbarmhartige vervolging in de academische en journalistiek wereld is het beste bewijs van de existentiële angst die zijn werk veroorzaakt in het hart van de hostile elite. Zijn intellectuele validatie van archaïsche culturele archetypen en futuristische technologische spookbeelden, zijn iconoclastisch realisme inzake etniciteit en identiteit en zijn vernietigende inschatting van het historische traject van de Westerse beschaving vertegenwoordigen een geheel onverwachte en ongeëvenaarde uitdaging vanuit een generatie die door de baby boomers al was afgeschreven als volledig burnt out – als volledig geconditioneerd en gedeformeerd door het Postmoderne Cultuur-Nihilisme. Het is ironisch dat Jorjani de verwachtingen van de Cultuur-Nihilistische academische elite volledig heeft omgedraaid. Ongetwijfeld verwachtte men van hem op grond van zijn ‘minderheid’ (deels Perzische) identiteit politieke correctheid. Ongetwijfeld verwachtte men van hem op grond van zijn ‘innovatieve’ (parapsychologische) specialisatie academische ‘lichtgewicht’ status. In de plaats daarvan heeft Jorjani zich echter ontwikkeld tot een formidabele voorvechter van filosofische traditie, authentieke identiteit en intellectuele integriteit. Zonder zijn eigen Perzische erfgoed te verraden heeft hij zijn plaats ingenomen in de Westerse filosofische traditie. Zijn werk herinnert Westerse denkers eraan dat de Perzisch-Griekse oorlogen van de Klassieke Wereld vooral ook oorlogen waren tussen nauw verwante volkeren – net zoals de wereldoorlogen van de 20e eeuw vooral ook oorlogen waren tussen volkeren die nauw verbonden zijn in bloed, cultuur en geschiedenis. Nu hij zijn plaats heeft ingenomen in de Westerse filosofie en nu hij zijn verbintenis met de Westerse beschaving als geheel bewezen heeft, doet men er goed aan Jorjani te respecteren wanneer hij oproept tot een revaluatie van het aan die filosofie en beschaving ten grondslag liggende oude Indo-Europese erfgoed – en wanneer hij een ereplaats opeist voor het dieponderdrukte (Arabisch gekoloniseerde en theocratisch getiranniseerde) Perzische volk te midden van de Indo-Europese volkeren. Nu hij in de bres in gesprongen voor een nieuw gedefinieerde en herboren Indo-Europese beschaving, doet men er goed aan hem te erkennen als een dapper strijder tegen haar gemeenschappelijke vijanden.

Of Jorjani kan worden ‘gebroken’ door zijn Social Justice Warrior vijanden valt nog te bezien, maar de enig eerbare optie voor zijn voormalige identitaire vrienden is aan zijn zijde te blijven nu hij hen nodig heeft. Onderworpen aan academisch ‘revaluatie’ procedures na uitgebreide karaktermoord in de systeempers en verraden in buitenlandspolitieke intriges, is het schaamtevol te zien hoe men Jorjani heeft laten vallen binnen dezelfde identitaire beweging die hij heeft geholpen op te bouwen. Binnen de identitaire beweging mogen Jorjani’s subtiele posities met betrekking tot gevoelige onderwerpen als etno-nationalisme en Midden-Oosten politiek controversieel zijn, maar dat rechtvaardigt geenszins rancuneuze aantijgingen of minderwaardige uitlatingen. Binnen een succesvolle identitaire beweging is altijd plaats voor een grote verscheidenheid aan ideologieën en wereldbeelden. Totalitaire dogma’s en ideologische heksenjachten riskeren deze beweging te reduceren tot het onwaardige niveau van haar Social Justice Warrior vijanden. Zo kan het gebeuren dat, vanuit een Europees Traditionalistisch perspectief binnen die wijdere beweging, sommige van Jorjani’s ideeën overdreven riskant – zo niet regelrecht gevaarlijk – lijken en dat sommige van zijn idealen overdreven utopisch overkomen, maar ze vertegenwoordigen uitdagende ontdekkingen – geen bronnen van conflict. Vanuit dit perspectief is het daarom betreurenswaardig dat Amerikaanse identitaire publicisten en activisten er niet in geslaagd zijn en bloc op te staan voor één van hun meest belangrijke intellectuelen. Dit falen laat niet alleen zien dat de grotere Trans-Atlantische identitaire beweging – één van de expliciete doelstellingen van de mede door Jorjani opgerichte Alt-right organizatie – nog steeds tekortschiet in interne samenhang, maar ook dat het die beweging als geheel nog steeds ontbreekt aan intellectuele volwassenheid. Met dit in gedachten kan het nuttig zijn Jorjani’s Prometheus and Atlas nog eens te herlezen – en de sleutelrol te benadrukken die filosofisch onderzoek en intellectuele moed hebben binnen de hele Trans-Atlantische identitaire beweging. Uiteindelijk zal de meta-politieke positionering van de beweging beslissend zijn voor haar politieke succes: een nieuw identitair Thermopylae vergt niet alleen een dapper hart, maar ook een solide terreinkeuze. Het lot van de identitaire beweging is nauw verbonden met de Archeo-Futuristische Revolutie – een revolutie waarin de Perzische filosoof uit Manhatten haar voorgaat.

De Spookachtige Revolutie’

Er lijkt een archaïsche kracht te bestaan die een onuitputtelijke variëteit aan mythische symbolen op de natuur projecteert – een kracht die de wereld onweerstaanbaar een structuur oplegt van betekenisvolle verbanden. Deze projectie wordt in premoderne kosmologieën meestal uitgedrukt in relatie tot de ‘hemelsfeer’, dat wil zeggen de oeverloze oceaan van het heelal die wordt begrepen als een kosmisch orde principe dat begint met astronomische zekerheden en dat afgeleide patronen herhaalt in de Nomos – de wereldse orde – die de aardse sfeer bestuurt.

– Jason Reza Jorjani, Prometheus and Atlas

De bovengenoemde openingszin van Jorjani’s eerste hoofdstuk is feitelijk een herformulering van het Traditionalistische beeld van de (macro-micro) kosmische orde: hij duidt Jorjani’s epistemologische uitgangspunt aan – en zijn realistische inschatting van de grenzen van het menselijke waarneming- en inbeeldingsvermogen. Jorjani’s belangstelling gaat uit naar de historische plasticiteit van dat vermogen – en naar de resulterende veranderingen in menselijke sociaal-culturele structuren. In zijn optiek worden alle grote revoluties in de menselijke geschiedenis, van technologische, sociale en culturele tot politieke revoluties, gedreven door veranderingen in dat grotere waarneming- en inbeeldingsvermogen – en staat de grootste revolutie van de hele menselijke geschiedenis nu voor de deur van de Westerse beschaving.

Jorjani beschrijft de dreigingen die van die aanstaande omslag uitgaan voor de huidige sociaal-politieke orde vanuit de optiek van een ‘Spookachtige Revolutie’: hij benadert die bedreigingen vanuit zijn specialisatie in parapsychologie. Op die manier herstelt hij het verband tussen de micro-kosmische (natuurlijke en menselijke) orde en de macro-kosmische (bovennatuurlijke en bovenmenselijke) order dat altijd centraal heeft gestaan in het Traditionalistische gedachtegoed, maar dat systematisch wordt genegeerd in de Modernistische – Jorjani noemt het de Cartesiaanse – denkwereld. Jorjani wijst er terecht op dat in Traditionale culturen, anders dan in de Moderne Westerse ‘cultuur’, bovennatuurlijke fenomenen altijd worden geaccepteerd als een intrinsiek deel van de menselijke conditie. De potentiële gevaren en voordelen van directe ‘trans-dimensionele’ storingen en procedures – inclusief de inmenging van het verleden en de toekomst in het heden (respectievelijk oude en nieuwe mogelijkheden die huidige ingevingen en intenties bepalen) – beïnvloedden de gedragingen en gedachten van de premoderne mensheid in hoge mate. Dit verklaart de onvatbare ‘magische’ kwaliteit waarmee alle Traditionele sociale structuren, kunstvormen en geloofssystemen doordrongen zijn. Gedurende de gehele geschreven geschiedenis is het alleen de Moderne Westerse mensheid die serieus probeert los te breken van deze respectvolle modus vivendi – een poging die betekent dat de geesteswereld wordt weggedrukt uit het menselijk bewustzijn. Jorjani benadrukt terecht het verband tussen epistemologische overgangen en cognitieve marginalisatie – en de relevantie van ‘spookachtige’ fenomenen en bovennatuurlijke realiteiten in de voortdurende herdefinitie van wetenschap en technologie. De meeste moderne technologie zou als ‘magie’ gelden in welke Traditionele cultuur dan ook – het grootste deel ervan zou daar ongetwijfeld worden bezworen als ‘zwarte magie’. In Traditionele hermeneutiek (premoderne ‘natuurwetenschap’, inclusief de ‘alchemie’) werd het verband tussen de natuurlijk-menselijke en bovennatuurlijk-bovenmenselijke wereld altijd herkend voor wat het is: instabiel en gevaarlijk. Het gebrek aan een gelijkwaardige erkenning in de Modernistische hermeneutiek reduceert hedendaagse wetenschappers effectief tot overmoedige ‘tovenaarsleerlingen’ die niet langer in staat zijn tot beheersing van de krachten waarmee ze experimenteren. Vanuit Traditionalistisch perspectief is de Moderniteit simpelweg een gereduceerde existentiële en waarnemingsmodaliteit die onvermijdelijk resulteert in spirituele en intellectuele implosie: de effecten van die implosie worden nu meest direct gevoeld in de academische geestes- en sociale wetenschappen. Jorjani herformuleert dit feit – vaak in zeer originele Archeo-Futuristische bewoordingen – door te wijzen op het directe verband tussen de Modernistische (historisch-materialistische) epistemologie en de Modernistische (technologische) discursieve praktijk. Hij toont aan dat Modernistische historisch-materialistische ‘theorieën’ nooit kunnen worden getest met Modernistische wetenschappelijke ‘feiten’, omdat het zulke ‘feiten’ ten enen male aan autonoom bestaan en objectieve realiteit ontbreekt buiten het Modernistische wetenschappelijke epistème. Het onlosmakelijk verband tussen Modernistische epistemologische raamwerken en Modernistische discursieve praktijken verklaart het onbeheersbare traject van de Moderne wetenschap en technologie. Tezelfdertijd reduceert datzelfde verband de ‘objectivistische’ en ‘positivistische’ claims van de Moderne geestes- en sociale wetenschappen tot ridicule post-Wittgensteinian Sprachspiele.

Jorjani voorspelt terecht dat de aanstaande Post-Postmoderne herdefiniëring van het Westerse kennissysteem een geheel nieuwe taal zal vereisen – en een terugval op prelogische categorieën. De dynamiek van de overgangsfase zal een doorslaggevende rol spelen in de locatie en vorm van de toekomstige grenzen van een nieuw kennissysteem. Om in gedachte nieuw land te ontginnen, om ideeën uit te drukken waarvoor nog geen passend discours bestaat, is het nu al belangrijk om de bestaande taal te vervormen, te misbruiken en te dwingen in nieuwe patronen die ruimte laten voor onverwachte situaties… Een nieuw wereldbeeld kan alleen worden opgebouwd met fundamentele conceptuele veranderingen en daarna zal het nog enige tijd duren voordat een nieuwe taal voldoende duidelijk is gedefinieerd in haar interne structuur. In de overgangsfase tussen wereldbeelden moeten we daarom open zijn voor een vrijlopend debat: alleen zo kan een ‘taal van de toekomst’ gecreëerd worden (Jason Reza Jorjani, Prometheus and Atlas, 12-13). Vanuit Traditionalistisch perspectief verwijst deze gedachte naar de scheppingsdaad die aan alle authentieke vormen van culturele palingenesia ten grondslag ligt: deze scheppingsdaad is per definitie transcendent gedefinieerd. In het begin was het Woord en het woord was bij God en het Woord was God (Johannes 1:1). Met andere woorden: bovennatuurlijke en bovenmenselijke krachten zullen uiteindelijk opnieuw de natuurlijke en menselijke wereld moeten betreden om een eind te maken aan de anachronistische overheersing van de Westerse beschaving door het Modernistische historisch-materialistische discours. Deze in toenemende ondragelijke overheersing berust op de in toenemende mate onhoudbare epistemologie van de Moderniteit, zoals uitgedrukt in de exclusief mathematisch-mechanische en materialistisch-functionele thesen van Copernicaanse kosmologie, Darwiniaanse biologie en Freudiaanse psychologie. Vanuit meta-historisch perspectief zijn deze historisch-materialistische ‘revoluties’ feitelijk intellectuele regressies omdat ze afstand nemen van het enig mogelijke referentiepunt voor een authentiek anagogisch doel: Jorjani’s bovennatuur – in de wereld van Traditie beter bekend als transcendentie. Jorjani wijst op de wanhopige manier waarop verschillende Modernistische denkers hebben geprobeerd deze hoogst kunstmatige status quo in het Westers denken te handhaven: in zijn optiek zijn Descartes’ rationalistische uitsluiting van de occulte sfeer, Kant’s filosofische verwerping van Swedenborg en Robespierre’s politieke onderdrukking van de Culte de la raison welbewuste pogingen tot opzettelijke (zelf)censuur.

Jorjani heeft een intellectueel-instinctief besef van de naderende climax van wat de Traditionele School de ‘Crisis van de Moderne Wereld’ noemt en hij slaagt erin dit besef te vertalen in een analyse van een radicale transformatie van de menselijke conditie (transhumanisme) en van een ultieme epistemologische afgrond (parapsychologie). Met vlijmscherp inzicht stelt hij dat existentiële Angst voor de naderende ‘Spookachtige Revolutie’ de verborgen grondslag is voor het hele Modernistische (Cartesiaanse) epistème. Vanuit dat perspectief kan men het fenomeen van het globalistische Postmodernisme (de infrastructuur van de Nieuwe Wereld Orde en de superstructuur van het Cultuur-Nihilisme) op een bepaald niveau zien als simpel hedonistisch escapisme. De hele Postmoderne ‘filosofie’ – wellicht de ultieme contradictio in terminis – is zo bezien niet anders dan een oppervlakkig gezien deconstructief maar ten diepste vertwijfeld vastklampen aan de verdwijnende wereld van de Traditie. Ten diepste is de Postmoderne ‘filosofie’ niet in staat om te gaan met epistemologische raamwerken waarin immanente (psychosociale) pre-structuratie ontbreekt. Alleen een meedogenloos iconoclastische Archeo-Futuristische Revolutie kan hopen Jorjani’s Spookachtige Revolutie – de terugkeer van macro-kosmische en archetypische (bovennatuurlijke en bovenmenselijke) krachten in de menselijke wereld – bij te benen. Jorjani beschrijft deze aankomende revolutie als de terugkeer van Prometheus en Atlas, de titanische spoken van een toekomstige Kunst van Wetenschap en Technologie. Deze nieuwe Techne vergt een alles overtreffend niveau van menselijk bewustzijn en spirituele ontwikkeling: zij vergt daarom een wedertoelating van macro-kosmische en archetypische geesteskrachten in de micro-kosmische menselijke realiteit.

De Identitaire Revolutie

Onze zintuigelijke waarneming wordt bepaald door onze conditionering als leden van een groep met een gemeenschappelijke belevingswereld, taal en cultuur. …[H]et is alleen dit provincialisme dat ons doet vermoeden dat leden van andere groepen de wereld op dezelfde wijze ervaren. …[O]mdat zij [echter] systematisch andere – en intern consistente – sensaties hebben in reactie op dezelfde ervaringen, leven leden van verschillende groepen tot op bepaalde hoogte in geheel andere werelden.

– Jason Reza Jorjani, Prometheus and Atlas

Jorjani benadert de uitdaging van de wedertoelating van de ‘supernatuur’ in de Westerse beschaving via de 20e eeuwse continentale filosofie. Dit stelt hem in staat Bergson’s en Heidegger’s kritische analyses over de ervaringsbegrenzingen van de Moderniteit te operationaliseren. Opnieuw vertoont Jorjani’s benadering hier een impliciete parallel met de Traditionalistische benadering van hetzelfde probleem. Bergson’s wedertoe-eigening van instinct en élan vital in reactie op het Moderne atrofiëren van het intellectuele instinct onderbouwt niet alleen Jorjani’s Archeo-Futuristische wedertoelating van de ‘supernatuur’, maar ook het Traditionalistische beeld van de Moderniteit als een ‘handicap’ in de menselijke waarneming en conceptuele capaciteit. Heidegger’s fundamentele kritiek van het mechanisch sciëntisme als oorzaak van de kunstmatig gereduceerde ruimte-tijd beleving van de Moderne mensheid onderbouwt niet alleen Jorjani’s herbevestiging van haar oorspronkelijke ‘bovennatuurlijke’ gaven, maar ook de Traditionalistische these van de essentiële realiteit van de ‘magische’ vermogens van de oorspronkelijke mensheid. Het Moderne atrofiëren van deze oeroude waarneming en conceptuele capaciteiten verklaart ook het onvermogen van de Moderne mensheid om correct plaats te geven aan haar eigen existentiële identiteiten – identiteiten die in het Traditionalist gedachtegoed worden beschouwd als dubbel gemeenschappelijk en individueel gespecialiseerd in ras, etniciteit, geslacht, kaste en roeping. Een weder-ontdekking, wedertoe-eigening en her-activatie van deze identiteiten hangt dus af van een (gedeeltelijke) wedertoe-eigening van deze capaciteiten.

Jorjani eigent zich Heidegger’s concepten van gespecialiseerde tijd (de begrensde tijdshorizon van Kulturkreisen) en gespecialiseerde ruimte (de beschermende ruimtehorizon van Blut und Boden) toe als absolute voorwaarden voor elke authentieke vorm van wereldhistorisch menselijk bestaan. Vanuit die optiek bespreekt hij de gevaren van een ongecontroleerd-globaliserende techno-wetenschap: hij wijst op de buitengewone macht die deze techno-wetenschap heeft over natuur en cultuur. Deze macht stelt haar in staat gespecialiseerde tijd en gespecialiseerde ruimte te deconstrueren door anticiperende projectie en voorspellende modellen: zij vervreemdt mensen van de natuur, van de cultuur en van de gemeenschap. Hier valt Jorjani’s Archeo-Futuristische analyse samen met de klassiek Traditionalistische these dat het Modern sciëntistische wereldbeeld ontwrichtend werkt op alle vormen van authentieke identiteit. Precies hier biedt Jorjani’s boek Prometheus and Atlas zijn belangrijkste meta-politieke bijdrage aan de identitaire beweging: het biedt een vernietigende filosofische ‘tegen-deconstructie’ van de Cultuur-Nihilistische mythe van cultuur-relativisme – en het herformuleert de onschatbare waarde van de authentiek Westerse identiteit. Jorjani benadrukt expliciet het belang van een hertoe-eigening van wat in het hart van de Westerse identiteit ligt: het Indo-Europese culturele substraat dat historisch bekend staat als ‘Arisch’. Vanuit zijn ‘onbelaste’ Oud-Perzische erfgoed laat hij zien dat de term ‘Arisch’ de essentiële uitdrukking geeft van de Westerse identiteit, mits correct begrepen naar zijn oorspronkelijke etymologie van ‘adellijk’. Dit stelt hem in staat de spirituele oeridentiteit en het cultuur-historische erfgoed van de Indo-Europese volkeren te onderzoeken (vergelijk Wolfheze, Alba Rosa, Hoofdstuk 3). Zowel vanuit Archeo-Futuristisch als Traditionalistisch perspectief zijn deze identiteit en dit erfgoed in de eerste plaat spiritueel van aard – ze dienen steeds weer te worden verdiend en veroverd. Het is aan de Indo-Europese génération identitaire om het haar toekomende erfgoed op te eisen zodat de Indo-Europese volkeren wederom hun gespecialiseerde eigen werelden kunnen bewonen. Zonder authentieke identiteit is er geen authentieke kennis – alleen als de génération identitaire haar authentieke identiteit kan herbeleven kan ze hopen op machtgevende kennis. Macht begint waar het taboe eindigt: het breken van de Cultuur-Nihilistische taboe op authentieke identiteit is de eerste Rubicon die de Identitaire Revolutie zal moeten oversteken. Het is nu aan de Westerse génération identitaire om resoluut te volgen in de voetstappen van haar filosofische pioniers en, over de waarnemingshorizon van de Westerse geschiedenis heen, de tegelijk oude en nieuwe werelden op te eisen waarin de Westerse volkeren hun authentieke identiteiten kunnen bewaren.

De l’audace, encore de l’audace, toujours de l’audace et la Patrie sera sauvée!

– Georges Danton

Leave a Reply

Your email address will not be published.