De levende doden

Een uiteenzetting over het psycho-historisch perspectief van mijn boek The Sunset of Tradition and the Origin of the Great War en de Traditionalistische analyse van de crisis van het moderne Westen.

door Alexander Wolfheze

Hoofdstuk 6 uit Alba Rosa. Tien Traditionalistische opstellen over de Crisis van het Moderne Westen (Londen: Arktos: 2019)

Wat was het monsterlijke kwaad dat God bewoog om de mensheid met de Zondvloed te verdelgen? De Heilige Boeken specificeren het niet en noemen slechts ‘wetteloosheid’. Maar wetteloosheid is het gevolg van een diepere sociale malaise en niet de oorzaak ervan. Filosofen wijten de ondergang van fde mensheid in de eerste plaats aan materiële rijkdom: overvloed en vrijheid brachten de mens tot plichtsverzaking en zonde. Zo bracht materiële rijkdom de mens uiteindelijk tot overmoed tegen God: gebed werd nodeloos geacht en de wet werd als achterhaald beschouwd. – vrij naar William Hallo

Sociale implosie

Le fil est maintenant cassé.
Il n’y a plus d’hommes sur ce continent abandonné des dieux :
il n’y a qu’une minorité surhumaine… et… une immense majorité de singes.

– Savitri Devi Mukherdji

Een centraal thema van de Traditionele School, gevestigd door René Guénon, Ananda Coomaraswamy en Frithjof Schuon, is de ‘Crisis van de Moderne Wereld’. In het huidige Postmoderne tijdsgewricht kan deze crisis, die nader gespecificeerd kan worden als de Crisis van het Moderne Westen, in vier concrete deelproblemen worden gesplitst die echter alleen kunnen worden begrepen en opgelost in onderlinge samenhang. Eerder (Wolfheze, Alba Rosa, hoofdstuk 5) beschreef de auteur die vier deelproblemen als de ‘Vier Politieke Realiteiten’ van het Postmoderne Westen: globale klimaatverandering (industriële ecocide), technologisch transhumanisme (technocatastrofe), etnische vervanging (demografische inundatie) en sociale chaos (maatschappelijke disintegratie). Uit het aanstaand samenvallen van deze Vier Politieke Realiteiten is een catastrofaal eindscenario afleidbaar: een waarachtige ‘hellestorm’, met de kracht om de restanten van de Westerse beschaving voor eens en altijd weg te vagen. Binnen deze complexe problematiek staat het gegeven van de sociale chaos steeds centraal: sociale implosie is het kernmechanisme dat uiteindelijk ten grondslag ligt aan alle existentiële dreigingen waarmee het Moderne Westen wordt geconfronteerd. In zijn recent verschenen boek The Sunset of Tradition and the Origin of the Great War schetste de schrijver reeds de cultuurgeschiedkundige dynamiek van de Crisis van het Moderne Westen tot aan het uitbreken van de Eerste Wereld Oorlog: daar wordt het mechanisme van sociale implosie uitgelegd als een onvermijdelijk resultaat van de ‘vooruitgang’ van de Moderniteit. Dit opstel is bedoeld om deze these – één van de tien theses van Sunset – nader toe te lichten.

Het toenemend verlies van sociaal-psychologische cohesie en sociaal-culturele continuïteit in het Postmoderne Westen resulteert in een collectieve staat van psychopathie, gekenmerkt door geïnstitutionaliseerde cognitieve dissonantie en hedonistisch-materialistische bewustzijnsvernauwing. De stilzwijgende acceptatie van ‘politiek correct’ totalitarisme in de publieke sfeer en van antisociaal hyper-individualisme in de persoonlijke sfeer is een duidelijk symptoom hiervan. Alleen de ‘normalisatie’ van collectieve cognitieve dissonantie en individuele bewustzijnsvernauwing kan verklaren hoe levensbedreigende ontwikkelingen als globale klimaatcatastrofe, technologisch transhumanisme en etnische vervanging zich zonder noemenswaardige tegenstand kunnen doorzetten. Het fundamenteel ontbreken van elk elementair verantwoordelijkheidsbesef – en zelfs van elk elementair overlevingsinstinct – is alleen mogelijk in een ‘maatschappij’ die leeft in cultuur-historisch vacuüm. In de luchtledige leefwereld van de babyboom generatie – nu permanent gestructureerd als een zichzelf vanuit rancuneuze ‘minderheden’ zelfregenererende hostile elite – is geen plaats meer voor authentieke identiteit en historische verantwoordelijkheidszin. Ideologisch vertaalt dit cultuur-historisch vacuüm zich in het Cultuur-Nihilisme: de baby boomer doctrine van militant secularisme, sociaal-darwinistisch neo-liberalisme, narcistisch hyper-individualisme en totalitair cultuur-relativisme.

Bewapend met het Cultuur-Nihilisme hebben de baby boomers het levenswerk van generaties voorouders en de erfenis van eeuwen beschavingstraditie binnen één generatie afgebroken. Zij hebben daarnaast een permanente hypotheek gelegd op de toekomst van hun eigen kinderen: ze hebben onherstelbare schade toegebracht aan de natuurlijke en culturele biotoop van de Westerse volkeren. De consistent meedogenloze wijze waarop de baby boomers en hun Social Justice Warrior opvolgers dit proces tot in de uiterste consequentie doorvoeren – de rücksichtlos gewetenloze wijze waarop milieucatastrofe, transhumane technologie en etnische vervanging worden losgelaten op de Westerse mensheid – heeft een evident onmenselijk karakter. In het onmenselijke karakter van de daden van de baby boomer hostile elite ligt echter tegelijkertijd de sleutel tot een correct begrip van haar ideeën. Haar totalitair Cultuur-Nihilistische wereldbeeld dient vooral te worden begrepen als ondermenselijk: het is subrationeel, subintellectueel, psychologisch-regressief, emotioneel-atavistisch van aard. Het vormt daarmee tegelijk een in alle opzichten – politiek, economisch, sociaal, cultureel – hermetisch gesloten systeem. Het betreft daarom niet zozeer een wereldbeeld als wel een wereldbeleving: het Cultuur-Nihilisme is niet zozeer een rationeel-vatbare en logisch-omkeerbare ideologie, als wel een pathologische psychosociale conditie.

Vanuit Modern wetenschappelijk perspectief is deze conditie volledig logisch verklaarbaar: op individueel niveau via de psychoanalytische methode en op collectief niveau via de psychohistorische methode. Wetenschappelijke beschrijvingen van de Cultuur-Nihilistische conditie hebben echter alleen meerwaarde in termen van rationeel begrip – ze zijn niet in staat de meta-historische betekenis van het fenomeen te duiden. Rationele verklaringen van het Cultuur-Nihilisme kunnen weliswaar objectieve historische realiteiten reconstrueren – men kan bijvoorbeeld wijzen op relevante bio-evolutionaire feedback loops en psychohistorische aanpassingsmechanismen – maar ze bieden geen remedie voor de eruit voortvloeiende actuele problematiek. De Cultuur-Nihilistische ‘kernwaarden’ van militant secularisme, shock doctrine neo-liberalisme, hyper-democratisch consumentisme en totalitair cultuur-relativisme hebben desastreuze uitwerkingen op zowel de natuurlijke leefomgeving als de menselijke maatschappij, uitwerkingen die niet kunnen worden bestreden met wetenschappelijke analyses alleen. Wetenschappelijke beschouwingen over de uit die ‘kernwaarden’ voortvloeiende realiteiten – industriële ecocide, economisch kannibalisme, etnische vervanging, sociale anomie, anti-intellectuele ‘idiocratie’ – blijven exercities in futiliteit zolang ze niet worden omkaderd door meta-historische betekenisduiding en meta-politieke ethiek. Een vol hoofd is nutteloos in combinatie met een leeg hart.

Het is hier dat het Traditionalistisch gedachtegoed uitkomst kan bieden: het biedt een meta-historisch duiding kader met anagogische – holistisch ‘opvoedkundige’ – functionaliteit. Het boek Sunset is in dit opzicht relevant: het beschrijft de historische achtergrond en wordingsgeschiedenis van het Postmoderne fenomeen van sociale implosie. De desbetreffende these van Sunset stelt dat dit fenomeen teruggaat op een regressieve ontologische modaliteit, dat wil zeggen op de gereduceerde ‘belevingscapaciteit’ van de ‘gemoderniseerde’ mens. Vanuit Traditionalistisch perspectief kan de cultuur-historische achtergrond van de Postmoderne sociale implosie worden begrepen als de ‘Regressie van de Kasten’ (Julius Evola). Voor de lezer die onbekend is met het Traditionalistisch gedachtegoed dat ten grondslag ligt aan Sunset zal dit begrip hier kort worden toegelicht.

De Regressie van de Kasten

De twee grootste problemen van de moderne wereld, demografische explosie en genetische degeneratie, zijn onoplosbaar: het eerste vanwege de liberale ideologie en het tweede vanwege de egalitaire ideologie.

– Nicolás Gómez Dávila

Vanuit het kernbegrip Sophia Perennis – ‘Eeuwige Wijsheid’ in relatie tot transcendente realiteit en hoofdletter Waarheid – zijn verschillende benaderingen mogelijk van het concept ‘Traditie’, maar de meeste daarvan zijn esoterisch van aard en vallen daarom buiten het bereik van Alba Rosa. Er zijn echter ook drie – in elkaar overlopende – exoterische definities: (1) de wetenschappelijke (een hermeneutisch systeem gericht op betekenis via symbolische structuur), (2) de ideologische (een sociopolitiek systeem berustend op charismatisch gezag, holistische gemeenschapszin en anagogische richting) en (3) de cultureel antropologische (een wereldbeeld samenvallend met een optimale ontologische modaliteit).

(1) De wetenschappelijke Traditie wordt in eerste plaats vertegenwoordigd door de canonieke ‘Traditionele School’ die aanvangt met de eerder genoemde René Guénon, Ananda Coomaraswamy en Frithjof Schuon. Het betreft een kleine maar vastomlijnde wetenschappelijke discipline die marginaal relevant blijft voor de godsdienstwetenschap, de kunstgeschiedenis en de cultuurgeschiedenis. Zij behelst een structuralistische benadering van functies en symbolen die zich richt op de epistemologische grondslag van kosmologische, religieuze, artistieke en cultuur-historische fenomenen. Gegeven haar onderzoek naar metafysische vraagstukken en filosofische waarheidsvinding kan de wetenschappelijke Traditie gelden als de laatst overgebleven band tussen premoderne and Moderne kennis.

(2) De ideologische Traditie bestaat in concrete zin bestaat alleen nog in de staatkundige marge: de ondergang van de Traditionele Imperia gedurende de 20e eeuwse wereldoorlogen betekende het einde van de Traditie als coherent-gearticuleerde staatsvorm. Wat over blijft zijn een paar symbolische vormen (het nominale Japanse Imperium, de soevereine Heilige Stoel) en een handjevol historische miniatuur curiosa (Swaziland, Brunei). Formeel bestaat er nog één grotere ‘absolute monarchie’: Saoedi-Arabië, maar die staat is in hoge mate kunstmatig, historisch geconstrueerd rond Angelsaksische oliebelangen en actueel afhankelijk van Amerikaans militair protectoraat. In aanmerking nemend dat zelfs hybride Modern-Traditionele staatsvormen zoals het Derde Rijk slechts een slap aftreksel zijn van authentiek Traditionele staatsvormen zoals het Assyrische Rijk, mag deze laatste categorie staatsvormen als letterlijk ondragelijk worden beschouwd voor de ‘Moderne mens’. Daar staat tegenover dat de ideologische Traditie in abstracte zin recent een onverwachte revalidatie doormaakt: de recente fenomenale opkomst van het Archeo-Futurisme (Guillaume Faye, Jason Jorjani) is tot op grote hoogte te danken aan een revolutionair nieuwe omgang met Traditionalistisch gedachtegoed in het Westers meta-politiek discours.

(3) De cultureel antropologische Traditie is eveneens een marginaal verschijnsel: het bestaat alleen nog aan de uiterste (fysiek-geografische en psychologisch-sociologische) randen van de Moderne wereld. Aan de ene kant wordt authentieke Traditie nog vertegenwoordigd door een handjevol overlevende ‘primitieve natuurvolkeren’ die zich schuilhouden in de geïsoleerde randgebieden (de regenwouden van Amazonië, de binnenlanden van Nieuw Guinea, de Andamanen eilanden). Aan de andere kant wordt zij ook nog vertegenwoordigd door een handjevol maatschappelijke randfiguren: gemarginaliseerde denkers, zieners, kunstenaars, kluizenaars en andere Aussteiger. In termen van functionaliteit en symboliek bevinden zich onder hen – noodzakelijkerwijs verborgen en onherkenbaar als ‘antipoden’ van de Moderniteit – nog altijd ‘wakers van het verborgen vuur’ en ‘wachters van de wereld’: de Tsadikim Nistarim in het Jodendom, de ‘Heiligen der Laatste Dagen’ in het Christendom, de Qalandars in de Islam. Het is deze cultureel antropologische marginalisatie van de Traditie die het Traditionalistische leerstuk van de Regressie van de Kasten tastbare – wetenschappelijk meetbare – realiteit maakt in de Moderne sociologie. Het boek Sunset ontwikkelt deze cultuur-historische weerslag van de Regressie van de Kasten in meer detail. Hier volstaat het te zeggen dat de vroeg-industriële Moderne mens al leefde in een suboptimale ontologische modaliteit, namelijk in een kwalitatief gereduceerde, gematerialiseerde, beschadigde en onttoverde wereld van wijkende natuur, woekerende industrie, monetaire slavernij en verloren geloof. De laat-industriële Postmoderne mens leeft echter in een ontologische modaliteit die daar nog verder onder ligt: een hallucinerende wereld van demonische bezetenheid waarin de anagogische idealen van de Traditie – goedheid, wijsheid, kracht, schoonheid – systematisch worden omgekeerd naar hun perverse tegenpolen.

De marginale positie van de Traditie volgens de drie voorafgaande definities is logisch verklaarbaar uit de nagenoeg totale historische nederlaag van de Traditie tegen de triomferende Moderniteit. Sunset preciseert het omslagpunt: het dateert de ‘zonsondergang’ van de Traditie in het jaar 1914 en het bevestigt daarmee een nieuwe historiografische consensus. Het uitbreken van wat door tijdgenoten simpelweg als de ‘Grote Oorlog’ werd betiteld staat in toenemende mate centraal bij hedendaagse Westerse denkers. In publicaties van de Bible Students – de voorlopers van de Jehova’s Getuigen – vindt men al geruime tijd voor de Eerste Wereld Oorlog een voorspellend aftelsysteem dat het jaar 1914 voorziet als een belangrijk mijlpaal in de Bijbelse heilsgeschiedenis. Op 3 augustus 1914, aan de vooravond van de Britse oorlogsverklaring aan Duitsland, sprak Foreign Secretary Sir Edward Grey – zelf zijn gezichtsvermogen verliezend – zijn welbekende onheilsprofetie uit: The lamps are going out all over Europe; we shall not see them lit again in our lifetime. Het is echter pas nu, ruim een eeuw later, dat Westerse denkers de ware betekenis van dit ‘omslagpunt 1914’ beginnen te bevatten (vergelijk in Nederland recentelijk Tom Zwitser, Permafrost, 2017 ). Het jaar 1914 kan worden beschouwd als een belangrijke mijlpaal in de Regressie van de Kasten – en als het aanvangspunt van de Moderne belevingsrealiteit.

De Moderne belevingsrealiteit

What made it special, made it dangerous. So I bury it, and forget.

– Kate Bush

De Moderniteit, gedefinieerd als de gefaseerde inversie en de ultieme negatie van de Traditie, is inmiddels zover voortgeschreden dat alle vormen van authentieke identiteit – godsdienst, etniciteit, kaste, geslacht, roeping – nu in verregaande staat van ontbinding verkeren. Deze kritieke ontwikkeling, vanzelfsprekend het verst voortgeschreden in het Westerse hartland van de Moderniteit, heeft de materiële en institutionele fundamenten (bio-evolutionaire incarnaties en sociaal-politieke structuren) van de Traditie nu zodanig aangetast dat er steeds minder ruimte overblijft voor immateriële en culturele Traditionele beschavingsuitingen (vergelijk het verdwijnen van authentiek Westerse godsdienst en kunst). De huidige kritieke staat van de resterende vormen van authentieke identiteit is daarbij van doorslaggevende betekenis: het falen van de Traditie is per slot van rekening een antropologisch gegeven – het herdefinieert het mens-zijn. In de wereld van de Traditie was de menselijke belevingsrealiteit een fundamenteel andere dan in Moderne wereld. De fundamenteel andere vermogens van waarneming en cognitie van de Traditionele mens kunnen worden beschouwd als functies van fundamenteel andere belevingswerelden. De natuurlijke wereld illustreert de noodzakelijke aanpassing van waarneming en cognitie aan verschillende belevingswerelden: de echolocatie van de vleermuis en de snorharen van de mol zijn voorbeelden van radicaal verschillende, maar functioneel effectieve oriëntatiesystemen die zijn afgesteld op radicaal verschillende biotopen. Het is in die zin dat de radicaal verschillende belevingsrealiteiten van de Traditionele en Moderne mensheid eenvoudig kunnen worden begrepen. Enerzijds heeft de Moderne mens een hoogontwikkeld vermogen tot rationele calculatie en emotionele immuniteit, aangepast aan een belevingsrealiteit van urbane kunstmatigheid, sciëntistische abstractie, materialistische competitie en hedonistisch escapisme. In vergelijking met de Traditionele mens is de Moderne mens een Uebermensch in termen van abstracte en sociale individualisatie (monetaire winstmaximalisatie, seksueel experiment). Anderzijds heeft de Traditionele mens een hoogontwikkeld vermogen tot mystiek inzicht en magische beleving, aangepast aan een belevingsrealiteit van kosmisch evenwicht, gesublimeerd naturalisme en holistische gemeenschap. In vergelijking met de Moderne mens is de Traditionele mens een bijna goddelijk wezen in termen van spirituele perceptie en instinctieve effectiviteit – oude overleveringen zoals de buitencanonieke ‘Adamsboeken’ refereren aan deze ontologische oerkwaliteit. Gegeven het historisch primaat van het Traditionele mens-zijn en gegeven de stijgende afstand tot de ‘paradijselijke’ menselijke oerkwaliteiten, is het onvermijdelijk dat de spanning tussen het Traditionele mens-zijn en het Moderne mens-beeld oploopt. De onvermijdelijke resultaten zijn intellectuele disoriëntatie, cognitieve dissonantie en emotionele instabiliteit. Deze symptomen zijn de psychohistorische prijs die wordt betaald voor de geforceerde devolutie van de menselijke conditie, meest extreem zichtbaar in de afgedwongen afscheiding van de Transcendente sfeer (door radicaal secularisme) en van het natuurlijk leefmilieu (door ecocidale urbanisatie).

In het Postmoderne tijdperk neemt deze denaturaliserende devolutie in toenemende mate pervers-totaliserende vormen aan. Ook het menselijk lichaam zelf wordt nu in toenemende mate doelbewust blootgesteld aan transformatieve manipulatie (bio-hacking): de hedendaagse epidemie van ‘kosmetische chirurgie’, de wijdverbreide ‘gedragsmedicatie’ van kinderen en de publieke promotie van invasief ‘transgenderisme’ zijn betrouwbare indicaties van een collectief verlies van Traditionele menselijke identiteit – en van een versnelde tendens naar dwangmatige fysieke en psychologische ‘transformatie’. Geconfronteerd met het onbetwiste historische primaat van het Traditionele mens-zijn – en van de Traditionele identiteiten van godsdienst, etniciteit, kaste, geslacht en roeping – kiest de ideologisch compromisloze en ethisch wortelloze Moderne mens voor een zelfvernietigende Flucht nach vorne. Binnen het hartland van de Moderniteit, de zogenaamde Westerse wereld, wordt deze richting nu aan de volksmassa’s opgelegd door een radicaal anti-Traditionele – en vanuit Traditionalistische optiek ‘luciferiaans’ opererende – hostile elite.

In de Postmoderne slotcampagne van deze ‘anti-elite’ tegen alle vormen van authentieke Traditionele identiteit is het bovenal etniciteit, de sterkst overgebleven vorm van collectieve identiteit en het historisch vehikel van Traditionele beschaving, die het moet ontgelden. Economisch ‘globalisme’, politieke ‘hyper-democratie’, sociale ‘emancipatie’ en culturele ‘deconstructie’ zijn de ‘conventionele wapens’ van deze ‘omgekeerde kruistocht’ tegen de Westerse beschaving. Waar nodig worden zij nu in toenemende mate aangevuld met de ‘massavernietiging wapens’ van demografische sui-genocide (gesubsidieerde ‘eenoudergezinnen’, gefaciliteerde ‘abortus’, geliberaliseerde ‘euthanasie’), etnische vervanging (‘arbeidsmigratie’, ‘vluchtelingenopvang’, ‘gezinshereniging’) en ethnic cleansing (albanizacija in Kosovo, plaatsmoorde in Zuid-Afrika, white flight in de Verenigde Staten). Buiten het hartland van de Moderniteit, in de zogenaamde ‘Derde Wereld’, wordt de vernietiging van Traditionele identiteiten bespoedigd door een fatale combinatie van ecocide (vernietiging van Traditionele biotopen zoals regenwouden, savannen en toendra’s), industrialisatie (vernietiging van Traditionele economische structuren), urbanisatie (vernietiging van Traditionele gemeenschapsvormen) en acculturatie (vernietiging van Traditionele culturen door invasieve monoculturen, zoals zichtbaar in Amerikanisatie, Islamisering en Sinificatie). De resulterende combinatie van habitat loss, demografische explosie, etnisch conflict en politiek radicalisme in de Derde Wereld veroorzaakt enorme migratiestromen die vervolgens door de hostile elite naar de Westerse wereld worden geleid ter bespoediging van haar globale visioen: de identiteitsloze melting pot. Het Westerse hartland wordt daarmee het globale ground zero van de Cultuur-Nihilistische maalstroom.

De Cultuur-Nihilistische maalstroom

The earth is full of anger, the seas are dark with wrath;
the nations in their harness go up against our path…

Rudyard Kipling

In globale melting pot worden alle vormen van authentieke Traditionele identiteit aan de ultieme test van de Moderniteit onderworpen. De huidige vormgeving en effectiviteit van deze smeltkroes worden bepaald door de baby boomer ideologie van het Cultuur-Nihilisme: onder het Cultuur-Nihilisme bereikt het melting pot visioen zijn ideaalvorm als moraal-vrije American Dream 2.0. Het betreft een hallucinante staat van urbaan-hedonistische stasis gekoppeld aan een totaal ethisch luchtledig: vroege Hollywood uitwerkingen van dit visioen vindt men in Ang Lee’s The Ice Storm (1997) en Sam Mendes’ American Beauty (1999). Het praktiseren van deze ideaalvorm blijft echter grosso modo voorbehouden aan de Westerse baby boomers: als een sprinkhanenplaag eten zij zowel de uiterlijke als de innerlijke Moderne wereld leeg – zij laten slechts een woestijn achter voor wie na hen komen. Voor de na hen komende geglobaliseerde massa’s van ontwortelde consumenten-in-spé verloopt de praktische implementatie van het globale melting pot project heel anders: hun belevingsrealiteit is niet die van lommerrijke suburbs, cruiseship bacchanalen en vergulde shopping malls, maar die van de Braziliaanse favela, de Zuid-Afrikaanse shanty town, het Amerikaanse inner city ghetto en de Franse HLM banlieue. Daar bevindt zich het globale reservoir van damnés de la terre, de massa’s beroepsonterfden die moeten leven onder condities van intensieve menshouderij: uiteindelijk ontleend het globale proces van sociale implosie zijn fysieke kracht aan dit reservoir. Binnen het Westen functioneert dit reservoir als loondrukkende ‘arbeidsreserve’, prijsstuwende ‘consumentenmassa’ en regimetrouw ‘stemvee’, erbuiten functioneert het als psychologische katalysator van religieus en etnisch geïnspireerd geweld. Globaal escalerende demografische druk, falende ecosystemen, gedenaturaliseerde leefomstandigheden, competitief consumptie fetisjisme en structurele sociaaleconomische achterstelling voeden een globaal ‘woedekapitaal’, dat wil zeggen het totaal aan wanhoop, ressentiment en woede dat ligt opgeslagen in een nieuw ‘wereld woede reservoir’ (Peter Sloterdijk, 2006). Deze ‘globale wraakbank’ legt een permanente hypotheek op alle Traditionele vormen van authentieke identiteit en sociale structuur. Het uiteindelijk hypothecair beslag op de Westerse beschaving kan vanuit die optiek niet anders dan leiden tot de definitieve onteigening en permanente schuldslavernij van de Westerse volkeren. Het gaat hier om niets minder dan een anti-Westerse wraakoefening: een apocalyptische Last Wave van onsamenhangend en allesvernietigend geweld waarin het ‘wereld woede reservoir’ de Westerse beschaving wordt geacht weg te vagen.

Tot het ineenstorten van het Sovjet Evil Empire in 1991 en het uitroepen van de Amerikaanse New World Order in 1992 was het ‘wereld woede reservoir’ nog grotendeels ingedamd binnen de Derde Wereld. Sociale implosie en maatschappelijk atavisme waren verschijnselen die grotendeels beperkt waren tot de post-koloniale buitengewesten van Latijns Amerika, Afrika en Azië met hun zich in razend tempo voortplantende métèque populaties. Ook gedurende het daarop volgende Postmoderne tijdvak blijft de Derde Wereld de belangrijkste aandeelhouder in de ‘globale wraakbank’, met een steeds hoger rendement dat voortwoekert op Westerse ‘interventies’ (Somalië 1992, Irak 2003), Westerse ‘seksploitaties’ (VN Mozambique 1992, Oxfam Haïti 2018) en Westerse ‘lage lonen strategieën’ (Nike sweatshops 2005, H&M/Zara kinderarbeid 2009). Het verschil is echter dat gedurende het Postmoderne tijdvak het ‘wereld woede reservoir’ doelbewust wordt ‘geglobaliseerd’: het wordt nu willens en wetens geïmporteerd in het Westen zelf. Na de val van de Berlijnse Muur en de Sovjet-Unie worden eerst de vroegere Oostblok landen onderworpen aan het neo-liberale shock doctrine (Naomi Klein, 2007) – met voorspelbaar resultaat: industriële kaalslag, armoedeval, braindrain en demografische implosie. Met de invoering van de Euro en de ‘kredietcrisis’ volgen de Zuid-Europese landen. In het ex-Protestantse economische hartland van het Westen – Noordwest Europa en de overzeese Anglosfeer – is het proces ietwat subtieler. Omwille van de politieke stabiliteit van de Westerse consumptiemaatschappij – nog altijd een vitaal onderdeel van de wereld economie – gaat de afbouw van arbeidsrechten en sociale voorzieningen daar langzamer: het proces van Verelendung wordt daar in slow motion gerepliceerd. Het ligt in de lijn der verwachting dat het definitief wegvallen van de laatste grenzen aan het ‘wereld woede reservoir’ samenvalt met het biologisch uitsterven van de Westerse babyboom generatie (gemakshalve gedefinieerd als de jaargangen 1940-65).

Maar het is juist in het Westerse hartland dat de grofste middelen tenslotte zullen moeten worden ingezet om de laatste grenzen aan globale melting pot te slechten. Geconfronteerd met de hooggeavanceerde en politiekgeëmancipeerde inheemse bevolking van het Westerse hartland moet de hostile elite hier haar ultieme wapen inzetten: etnische vervanging. Voor zover de inheemse volksmassa’s van het Westerse hartland zich ongeschikt bewijzen voor de melting pot – demografisch onvruchtbaar onder totalitaire dictatuur, economisch onproductief in urbaan-hedonistische stasis, politiek onbetrouwbaar in schuldslavernij – worden ze simpelweg vervangen door beter manipuleerbare – minder intellectuele, minder veeleisende, minder zelfbewuste – slavenvolkeren. Het dominante Cultuur-Nihilistische discours van anti-identiteit is hierin essentieel want het sluit naadloos aan op de historische trauma’s en demoralisatie van de Westerse volkeren. De psychohistorische last van twee wereldoorlogen, veertig jaar dekolonisatie en totale postideologische disillusie maakt hen rijp voor sadomasochistische zelfopheffing. Het Cultuur-Nihilistische programma van etnische vervanging is gebaseerd op een subtiele combinatie van demografische ‘inkrimping’ (gezinsontwrichting via ‘vrouwenemancipatie’, zelfsterilisatie via ‘anticonceptie’, kinderoffers via ‘abortus’, senicide via ‘euthanasie’), genetische ‘uitkruizing’ (exogamisch rollenpatroon met inheemsen als vrouw-gevers en uitheemsen als vrouw-nemers) en evolutionaire ‘cropping’ (genocidaal rollenpatroon met ‘zwakke’ inheemsen en ‘sterke’ uitheemsen). De inheemse volkeren van het Westen – inclusief het nageslacht van de baby boomers – worden zo dem Feuer hinübergegeben: zij zijn de noodzakelijke offergave op het altaar van de Cultuur-Nihilistische cultus. Eenmaal gegrepen door de Cultuur-Nihilistische maalstroom zijn ze gedoemd te verdwijnen in de bodemloze afgrond van de globale melting pot, het eindstation van alle vormen van authentieke Traditionele identiteit. In de vroege 21e eeuw staan de Westerse volkeren daarmee voor een ultieme keuze: ófwel willoos ten onder te gaan in sadomasochistische zelfopheffing, ófwel zich met een zelfovertreffende krachtsinspanning definitief te ontworstelen aan de Cultuur-Nihilistische anti-identitaire agenda.

De anti-identitaire agenda

And now, open your eyes and see… What we have made is real: we are in Xanadu

– Olivia Newton-John

De grootste inhoudelijke kracht van het Modernisme ligt in de historisch-materialistische belofte van ‘maakbaarheid’: de belofte dat identiteit een ‘keuze’ is. Het is met deze even verleidelijke als absurde boodschap, een essentieel geloofsartikel van het Verlichting discours, dat de Moderne mens wordt bewogen tot een zelfverminkende en zelfopheffende strijd tegen alle vormen van authentieke identiteit. In de Cultuur-Nihilistische ideologie wordt deze boodschap doctrine en in de Postmoderne melting pot wordt zij realiteit. Deze Cultuur-Nihilistische doctrine wordt geïmplementeerd volgens een anti-identitaire agenda. Het cruciale mechanisme dat deze agenda effectief verwezenlijkt is de wederzijdse opheffing van alle vormen van authentieke identiteit, geheel volgens het beproefde recept divide et impera. Zo wordt authentiek Christendom (lotsoverstijging, genadebesef) omgedraaid, opgezet en weggestreept tegen authentieke Islam (lotsaanvaarding, wetsbesef), authentieke Indo-Europese etniciteit (Brenger van Evangelion, Schepper van Nomos, Meester van Techne) tegen authentieke Semitische etniciteit (Profeet van het Woord, Drager van het Verbond, Dienaar van de Wet) en authentieke vrouwelijkheid (private toewijding, zelfverloochenende opoffering) tegen authentieke mannelijkheid (publiek gezag, zelfoverstijgende verantwoordelijkheid).

Het proces van wederzijdse opheffing voltrekt zich op alle niveaus. Op het laagst-individuele niveau worden alle authentieke persoonlijke roepingen weggestreept door ‘concurrerende’ life style ‘opties’. Aan vrouwen wordt verteld dat huwelijk en moederschap ‘onvolledige’ levensinvullingen zijn en bovendien ook nog verenigbaar met relatie- en arbeidsexperimenten: dit reduceert hele generaties vrouwen tot eeuwig-onvolwassen en eeuwig-ongelukkige wezens. Aan mannen wordt verteld dat arbeid en gezin slechts willekeurige en tijdelijke levenskeuzes zijn en dat maatschappelijke verantwoordelijkheid een ouderwets, achterhaald begrip is: dit reduceert hele generaties mannen tot geldgraaiende wezels met The Wolf of Wallstreet (Martin Scorsese, 2013) als rolpatroon. Op het hoogst-collectieve niveau worden alle authentieke vormen van geloof, etniciteit en cultuur weggestreept in een globalistische zero sum fantasie van ‘internationale concurrentieposities’. De onvermijdelijke geopolitieke implicatie van de Cultuur-Nihilistische anti-identitaire agenda, gericht op een New World Order (George Bush 1990) en een End of History (Francis Fukuyama, 1992), is een apocalyptische Clash of Civilizations (Samuel Huntington, 1997). De anti-identitaire agenda dicteert dat voor zover authentiek vormen van geloof, etniciteit en cultuur niet goedschiks zullen verdwijnen in de grote opheffingsuitverkoop van de Postmoderne melting pot, ze kwaadschiks zullen worden verwijderd.

Vanuit deze optiek wordt het begrijpelijk waarom de globale hostile elite moedwillig aanzet geeft tot kunstmatige conflicten: binnenlands tegen ‘de Islam’ (abstract gezien het idee van authentiek religieus leven) en buitenlands tegen ‘Rusland’ (abstract gezien het idee van authentiek nationaal staatsgezag). Deze conflicten worden opzettelijk gecreëerd: de resulterende binnenlandse en buitenlandse vijandbeelden fungeren als bliksemafleiders op de nieuwe Cultuur-Nihilistische Toren van Babel. Zulke psy op machinaties, voortbordurend op de succesvolle Koude Oorlog strategie van psychologische oorlogsvoering, zijn de doelbewuste programmatuur waarmee de globale hostile elite de binnenlandse en buitenlandse Clash of Civilizations wil winnen. Zij brengt haar anti-identitaire agenda ten uitvoer door een combinatie van volstrekt amorele middelen, rücksichtslos perverse propaganda en geraffineerde psychologische manipulatie: Derde Wereld barbarij wordt systematisch geïmporteerd onder het mom van ‘mensenrechten’ (‘asielopvang’, ‘gezinshereniging’), fundamentalistische terreur wordt systematisch gesponsord onder het mom van ‘vrijheidsstrijd’ (Jabhat an-Noeṣrah, Daʻesj) en authentiek staatsgezag wordt systematisch ondermijnd onder het mom van colour revolutions (Georgië 2003, Oekraïne 2004). De toenemende risicobereidheid van de globale hostile elite – mogelijke burgeroorlog in het Westerse hartland, mogelijke nucleaire oorlog met Rusland – duidt op haar toenemende ongeduld. Verleid door de Cultuur-Nihilistische Fata Morgana van de globale melting pot begint de ouder wordende baby boomer elite haar greep op de (geo)politieke realiteit te verliezen. Het risico van een fatale va banque misstap door de hostile elite wordt daarmee zienderogen groter: de bezeten Westerse leiders hebben niets te verliezen – hun zielen zijn al dood.

Dode zielen’

Dämonen seyd ihr, keine Genien!
Der Hölle, die Verzweiflung haucht, entstiegen.

– Johann Wolfgang von Goethe, Des Epimenides Erwachen

De globale hostile elite vormt een machtscomplex dat wordt bestuurd door een handjevol letterlijk ontmenselijkte ‘dode zielen’. Dit zijn de Davos Men: de top-zakenlieden, top-politici, top-economen en top-ideologen die geregeld samenkomen in vaste circuits zoals het World Economic Forum (Samuel Huntington). Af en toe wordt één van de éminences grises van deze hostile elite herkend door tegenstanders van het globalisatie project en levert dan een illustratie van de achterliggende ‘dode ziel’. Het gaat om een handjevol ‘machtigen der aarde’ die de triomf van de Moderniteit – technisch gesproken het verval van de Nomos en de occultatie van de Katechon – aangrijpen om hun grootheidswaanzin bot te vieren op de onschuldige natuur en de naïeve mensheid. Bij hen is ‘humanisme’ niet slechts een ideologische slagzin maar een letterlijke totaler Krieg tegen God. Bij hen is de Novus Ordo Seclorum niet slechts een sociëteit fantasietje, maar een letterlijke Griff nach der Weltmacht. In vergelijking met deze ‘meester vampieren’ zijn de politieke ‘kartelcreaturen’ van de Westerse ‘democratie’ (Thierry Baudet, 2017), de Social Justice Warriors van het ‘Linkse Subsidie Netwerk’ (Martin Bosma, 2010), de Gekaufte Journalisten van de Westerse ‘vrije pers’ (Udo Ulfkotte, 2014) en de affirmative action stoelendansers van de Westerse academia (Jordan Peterson, 2017) slechts onbetekenende en uitwisselbare figuranten. De anti-identitaire agenda – inclusief haar ‘open grenzen’, ‘open samenlevingen’ en ‘open relaties’ – wordt als een ‘democratisch’ bottom up project voorgesteld, maar wordt feitelijk top down geëffectueerd.

De echte kracht van het anti-identitaire New World Project ligt in de eerste plaats in de ongrijpbare informaliteit en juridische immuniteit van zijn grotendeels anonieme leiderschap. Het handjevol nieuwe Godfathers en nieuwe Untouchables dat uiteindelijk verantwoordelijk is voor het monsterlijke netwerk van global governance, high finance en multinational business blijft consistent buiten beeld en buiten schot. De ontologische ‘kwaliteit’ en de basale ‘motivatie’ van deze dode zielen worden bepaald door een (micro-kosmische) innerlijke leegte – en door de (macro-kosmische) ‘Buitenste Duisternis’ waarin zij naadloos benedenwaarts overloopt. Hun kwaliteit en motivatie zijn alleen begrijpbaar als essentieel ondermenselijk: alleen archetypische beelden van essentiële kwaadaardigheid kunnen er licht op werpen. Onwillekeurig drijven daarom in de hedendaagse kunst en cultuur de archetypes van ‘demonen’ en ‘vampieren’, modern voorgesteld als aliens en zombies, steeds meer naar boven. The Lord of the Rings geeft een poëtische schets van een dergelijk archetype in ‘Shelob’: een ondergronds, verborgen levend monster, machinaal meedogenloos en gefixeerd op maximale sadistische omkering van alle authentieke kracht, schoonheid, goedheid en onschuld in de wereld. Net zoals de dode zielen die leiding geven aan de globale hostile elite ‘leeft’ Shelob zonder enige vaste alliantie en zonder enige vaste binding, geduldig terend op eeuwige rancune – altijd in afwachting op nieuwe slachtoffers. Het enige wat zij echt vreest is het Licht: net zoals de dode zielen die leiding geven aan de globale hostile elite voelt zij zichzelf het best zolang zij verborgen blijft in de schaduwen van haar bedrieglijke webben. Het is alleen in duisternis dat de globale hostile elite gedijt en er is haar alles aan gelegen de Westerse volkeren geestelijk te benevelen en intellectueel te desoriënteren, zodat zij in haar webben verstrikt raken en in duisternis ten onder gaan.

Wee hen die het kwade goed noemen en het goede kwaad,
die van het duister licht maken en van het licht duisternis,
van bitter zoet en van zoet bitter.

– Jesaja 5:20

De anti-identitaire gifbeker

Te strijden en alle slagen te winnen is niet de hoogste volmaaktheid:
de hoogste volmaaktheid is de vijand te breken zonder te strijden.

– Sun Tzu

Een Traditionalistische analyse maakt de Cultuur-Nihilistische anti-identitaire agenda van de globale hostile elite begrijpelijk. Een centraal gegeven in het Traditionalistische gedachtegoed is dat alle tijdelijke kracht, schoonheid, goedheid en onschuld in de microkosmos van de aardse sfeer afspiegelingen zijn van eeuwige equivalenten in de macrokosmos van de hemelse sfeer. Voor de Traditionele mens met zijn Traditionele belevingscapaciteit zijn deze hemelse (transcendente) equivalenten daarom doorleefde realiteiten. Voor de Moderne mens zijn ze alleen nog rationeel reconstrueerbaar als identitaire archetypen, dat wil zeggen ‘model identiteiten’ waarvan de wereldse identiteiten van de Traditionele mens slechts tijdelijke en onvolmaakte afspiegelingen zijn. De Moderniteit leidt tot het vervagen en het verlies van deze afspiegelingen: de neerwaartse – negatieve, omkerende – beweging van de Moderniteit verwijdert de mensheid geleidelijk van alle vormen van authentieke identiteit. Vanuit Traditionalistisch perspectief is het de ‘kosmische taak’ van de Cultuur-Nihilistische globale hostile elite om deze verwijdering te maximaliseren – en uiteindelijk om alle authentieke vormen van identiteit op te heffen. De hoogste prioriteit op haar anti-identitaire agenda ligt bij het uitroeien van de machtigste overblijfselen van authentieke identiteit die nog bestaan: als deze kunnen worden ‘getemd’, dan volgen de andere overblijfselen vanzelf. Het zijn daarom de Westerse etnische identiteiten, gestructureerd rond een subliem transcendent Evangelion, een superlatief verinnerlijkte Nomos en een meesterlijke omgang met Techne, die het prioritaire doelwit zijn van de anti-identitaire agenda. Gegeven de onoverwinnelijke materiële kracht van de Westerse beschaving hangt het succes van de anti-identitaire aanval uiteindelijk af van immateriële factoren. De Westerse beschaving heeft zich in materieel opzicht uitermate veerkrachtig bewezen: zelfs na de ongeëvenaarde offers van twee wereldoorlogen, het totale verlies van vier eeuwen imperiale expansie gedurende vier decennia ‘dekolonisatie’ en de radicaal anti-Traditionele experimenten van het Communisme en het Fascisme staat het Westen nog steeds de hoogste trede op de ladder van materiële ontwikkeling. De enige manier waarop de Westerse beschaving kan worden vernietigd is daarom de Westerse volkeren zodanig psychologisch te manipuleren en intellectueel te desoriënteren dat zij zichzelf vernietigen: dit is de strategie achter de anti-identitaire agenda.

De globale hostile elite stelt voor de Westerse volkeren de diagnose ‘voltooid leven’ en reikt hen het overeenkomstig recept aan: de anti-identitaire gifbeker van het Cultuur-Nihilisme. Het is de simpele euthanasie van de Westerse beschaving die de globale hostile elite voor ogen staat, voorafgegaan door een kort respijt van palliatieve zorg ten behoeve van de baby boomer generatie aan wie zij haar macht is verschuldigd. Hier geldt: de grootste leugen maakt tevens de grootste kans geloofd te worden. De politiek-filosofische eerste teug van de anti-identitaire gifbeker werd door de Westerse volkeren genuttigd met de grootste leugen van de menselijke geschiedenis sinds de Verleiding van Eva: het betreft de fundamentele ontkenning van Traditionele identiteit in de inleiding van ‘Het Communistisch Manifest’: De geschiedenis van alle samenleving is tot dusver de geschiedenis van klassenstrijd. Deze leugen is zo absurd dat zelfs de opstellers van het Manifest zich al meteen gedwongen voelden een beetje terug te krabbelen met de meest drastische voetnoot aller tijden: Nauwkeurig gezegd betekent dit de schriftelijk overgeleverde geschiedenis. Maar zelfs bovenop de 99% van de menselijke aanwezigheid op aarde die ongeschreven is, blijft het een leugen van adembenemende durf. Vele decennia politiek correcte academische geschiedvervalsing ten spijt heeft nog geen serieuze historicus ooit kunnen bewijzen dat er zelfs maar een spoor van ‘klassen’, laat staan ‘klassenstrijd’, te vinden is in het Oude Mesopotamië, het Oude Egypte, het Klassieke Griekenland of het Middeleeuwse Avondland. Er waren onverbiddelijke hiërarchieën, dichtgemetselde kasten, geprivilegieerde standen en gemarginaliseerde slavenpopulaties, maar in de wereld van Traditie waren alle sociale groepen altijd holistisch gepositioneerd in zelfregulerende gemeenschapstructuren en geïncorporeerd in coherente volksgemeenschappen. Er bestonden geen ‘klassen’ totdat die programmatisch werden ‘uitgevonden’ door de rancuneuze nihilistische ideologen van het Historisch Materialisme. In het Westers publieke discours gaat het begrip ‘klasse’ niet verder terug dan de zogenaamde ‘Verlichting’ en gaat de ‘klassenstrijd’ niet verder terug dan ‘Het Communistisch Manifest’. Dat is dus iets heel anders dan de ‘schriftelijk overgeleverde geschiedenis van alle samenleving’.

De grotesk absurde leugen van de historische ‘klassenstrijd’ blijft echter onverminderd effectief in het Postmoderne Westen, met dien verstande dat er steeds nieuwe ‘klassen’ worden uitgevonden waarvoor ‘strijd’ wordt geleverd door de Cultuur Marxistische hostile elite. Nadat de sociaaleconomische ‘klassenstrijd’ tussen ‘arbeid’ en ‘bourgeoisie’ definitief was gestrand op de kille klippen van de kapitalistische realiteit, verschoof het ‘Cultuur Marxisme’ in de nadagen van de Koude Oorlog zijn agenda definitief naar de cultureel-identitaire ‘klassenstrijd’ (Paul Cliteur, 2018). De collectieve nederlaag van de Europese volkeren in twee wereldoorlogen, meerdere dekolonisatie oorlogen en de Koude Oorlog – en de historische factuur van het Imperialisme, Communisme en Fascisme – creëerden een perfect geestelijk klimaat voor de nieuwe anti-identitaire agenda. Een diep historisch trauma, een volkomen verwrongen zelfbeeld en extreme culturele discontinuïteit resulteerden in een nihilistisch ‘slavendiscours’ van hedonistisch escapisme, gesublimeerde zelfhaat en pathologisch sadomasochisme: een ideaal klimaat voor een anti-identitaire ‘klassenstrijd’ gericht op de wederzijdse opheffing van ‘onderdrukkende’ identiteiten. Nieuwe ‘klassen’ met onderdrukkende ‘privileges’ en ‘reactionaire’ denkbeelden werden snel geïdentificeerd in de laatste uiterlijke symbolen van kracht en eigenheid: etniciteit, geslacht en roeping. Bovenaan het prioriteitenlijstje van de Cultuur Marxistische ideologen staan vanzelfsprekend het blanke ras en het mannelijk geslacht – vooral in hun fatale combinatie van de (als ‘boos’ geprojecteerde) ‘witte man’. Het is dit nieuwe spook van de cultureel-identitaire ‘klassenstrijd’ dat nu in de Westerse wereld rondwaart – het is het spook van anti-identitair ressentiment.

Dit nieuwe spook werkt veel effectiever dan het oude spook van ‘Het Communistisch Manifest’: het werkt op een subtiel subrationeel niveau en speelt in op immateriële (psychohistorische) in plaats van materiële (socioeconomische) gesteldheden. Het anti-identitaire spook bezet de Postmoderne mens en verandert hem van binnenuit: het reflecteert accuraat de uiterlijke Postmoderne belevingsrealiteit van Entfremdung, anomie en onttovering in een innerlijke bestaansmodus van ontzielde bezetenheid. De anti-identitaire gifbeker werkt in gradaties: de prettige tinteling van de hedonistische oververhitting houdt aan gedurende de hele baby boom generatie en gaat pas ten tijde van hun kinderen over in ontluisterende verkramping – het zijn pas hun kleinkinderen die de laatste bittere slok zullen moeten drinken. Door hyper-individualisme en hyper-democratie verspreidt zich het anti-identitaire gif geleidelijk door de hele Westerse samenleving en cultuur. Individuen mogen zich wapenen en dapper teweer stellen tegen de resulterende golf van collectieve zinsbegoocheling, regressie en atavisme, maar op lange termijn is elke vorm van individueel verzet gedoemd tot falen. Tegen de collectieve psychohistorische conditie van de anti-identiteit is geen enkel individueel psychoanalytisch kruid gewassen – ook niet het elegante ‘tegengif’ van Jordan Peterson (12 Rules for Life: An Antidote to Chaos 2018). Vanuit psychohistorisch perspectief kan zulk ‘tegengif’ slechts de functie hebben van individueel ‘palliatief’: het mag het sociaalpsychisch lijden van het individu verzachten, maar het ontbeert het vermogen om de structurele oorzaken van dat lijden te bestrijden.

Alleen een collectieve volte-face kan der Untergang des Abendlandes nog voorkomen. In hun donkerste uur staat de Westerse volkeren nog steeds het oudste en sterkste wapen uit het Westerse cultuur-historische arsenaal ten dienste: het Traditionalistisch gedachtegoed. De Westerse volkeren zullen het Traditionalistisch Zwaard van de Kennis uit de vergeetsteen van de geschiedenis moeten trekken om het dichte leugenweb van de Cultuur-Nihilistische anti-identiteit weg te hakken. Op intellectueel niveau vergt dit een diepgravende epistemologische archeologie om de psychohistorische wortels van de ‘anti-identitaire beweging’ bloot te leggen. Dit epistemologisch-archeologische project vergt niets minder dan een macro-historische diagnose van de archetypische krachten achter de Moderniteit zelf. Hier biedt het Traditionalistisch gedachtegoed uitkomst, maar alleen wanneer de Westerse geest nog sterk genoeg is om zijn laatste consequenties te accepteren en afstand te doen van een aantal uiterst prettige Modernistische illusies – de illusie van ‘gelijkheid’ bovenal. De eerste gelijkheidsillusie die moet worden bijgezet in het rariteitenkabinet van de geschiedenis is tegelijk de meest verleidelijke: de vermeende ‘gelijkheid’ van man en vrouw.

Kali Yuga

Een basaal kenmerk van het laatste van de vier Hindoe wereld tijdperken, het zogenaamde Donkere Tijdperk, [of de] Kali Yuga, is dat in dit tijdperk Kâli volledig wakker is… en zo staat dat hele tijdperk onder haar gezag… in haar grondbetekenis als godin van vernietiging, begeerte en seksualiteit. – Julius Evola

In het Traditionalistisch gedachtegoed staat een cyclisch concept van de wereldgeschiedenis centraal. De Traditionalistische consensus is dat de Moderne Tijd het laatste tijdvak van de huidige tijdscyclus vertegenwoordigt (Sunset zet het beginpunt ervan gemakshalve in het jaar 1488). Kosmologisch gesproken is dit tijdvak het ‘Donkere Tijdvak’, waarin de wereld het verst verwijderd is van het Goddelijk Licht. In verschillende Tradities worden verschillende begrippen gebruikt: in de Noorse mythologie is er de Ragnarök (de Wagneriaanse Götterdämmerung), in de Christelijke eschatologie is er de ‘Eindtijd’ en in de Spengleriaanse historiografie is er de ‘Wintertijd’. In de oudst bewaarde historische Indo-Europese Traditie, de Vedische Traditie, wordt dit tijdvak aangeduid als Kali Yuga: dat wil zeggen de regeringstijd van de demon Kali, de ‘Kweller’, incestueus geboren uit de demonen Woede en Geweld, op hun beurt incestueus geboren uit de demonen Onfatsoenlijkheid en Leugen. In Traditionele symbolische systemen wordt het Donkere Tijdperk gekenmerkt door de blinde oerkracht van het vrouwelijke archetype: het wordt gekenmerkt door een geleidelijk overschaduwen van het ‘hemelse’, ordenend-wetstellende mannelijk beginsel door het ‘aardse’, ontembaar-reproducerende vrouwelijke beginsel. In de wereld van de Traditie wordt de universele binaire oppositie mannelijk-vrouwelijk steeds consequent geprojecteerd op kosmologie: vanuit structuralistisch-antropologisch perspectief is de fundamentele symbolisch-mythologische oppositie tussen Traditie/Mannelijk en Moderniteit/Vrouwelijk in alle Traditionele culturen een vast gegeven.

Vanuit een Traditionalistisch perspectief is de uiteindelijke totale verduistering van het hemelse mannelijke beginsel, symbolisch geassocieerd met autoriteit, wet en gezag, een onvermijdelijke uitkomst van de Kali Yuga. De keerzijde daarvan is de uiteindelijke totale overheersing van het aardse, vrouwelijke beginsel, symbolisch geassocieerd met ongebreidelde vruchtbaarheid en onbeheersbare promiscuïteit. Onder het teken van het Matriarchaat van het Duistere Tijdvak faalt het Traditionele mannelijk gezag, met als uiteindelijk resultaat het wegvallen van alle remmingen op materialisme en hedonisme en een catastrofale terugval in apocalyptisch atavisme. Overeenkomstig dit beginsel wordt de hedendaagse wereld gekenmerkt door een nooit eerder vertoond samenvallen van collectief Narcisme, demografische explosie en ongecontroleerde Ecocide. Het Matriarchaat vertegenwoordigt de ziekelijke uitvergroting van de vrouwelijke gave van instinctieve bescherming voor elementaire levensvormen – doorgevoerd tot in absurde consequentie betekent dat de vernietiging van alle hogere levensvormen ten gunste van alle lagere levensvormen. Al het sterke, intelligente en mooie moet dan wijken voor al het zwakke, domme en lelijke.Sunset

Er bestaan een aantal oude literaire overleveringen die dit vreeswekkende eindperspectief specificeren. In de Mesopotamische Traditie staat het dreigement opgetekend dat wordt uitgesproken door de grote godin Ishtar – minder de godin van ‘liefde’ en ‘voortplanting’ dan van elementaire seks en oorlog. Voor het geval zij gehinderd wordt in haar rituele taken, kondigt zij het volgende aan: (Babylonisch) Sjoemmaa la tapattaa baaboe, la erroeba anakoe, amahhats daltum, sikkoeroe asjabbier, amahhats sippoemaa, oesjabalakat dalatie, oesjeellaa mitoetie, iekalloe baltoetie, eelie baltoetie iema-iedoe mitoetie! ‘Als u de poort niet opent [en] ik niet binnen kan komen, [dan] zal ik deur inslaan, de grendels breken, de deurposten inslaan, de deuren neerwerpen, de doden doen opstaan [en] zij zullen de levenden opeten – meer dan de levenden zullen de doden zijn!’ (‘Ishtar’s hellevaart’ ofwel ‘Inanna’s afdaling in de onderwereld’ – K[uyuncuk – Nineveh] 162 Obv. 16-20). De ‘deurposten’ verwijzen hier naar de grenzen tussen de mensenwereld en de onderwereld: in de wereld van de Traditie werden die grenzen ritueel en institutioneel grenzen bewaakt door de Katechon voorzieningen van Koningschap, Adel, Tempel en Wetenschap. De existentiële dreiging die uitgaat van de aan het vrouwelijke beginsel ten grondslag liggende creatieve oerchaos, immer als ‘oernatuur’ aanwezig onder en buiten de ‘deurposten’ van de hoogcultuur, doortrekt de hele oude wereld van de Traditie.

Een flauwe afspiegeling van dit basale besef, geïncorporeerd als welbekende oud-Oosterse poëtische trope, is ook blijven hangen in het Oud Testament: (Hebreeuws) Mie-zot, hanniesjqaafaah kmo sjaachar, yaafaah chalwaanaah, baaraah kachamaah, ajoemmaah kanniedgaalot? ‘Wie is zij, zich verheffend als de dageraad, schoon gelijk de witte [maan], zuiver gelijk de grote ster, vreeswekkend gelijk de gebanierde slagorde?’(Hooglied 6:10). ‘Zij’ verwijst hier naar zowel abstract als concreet naar het vrouwelijke beginsel. Abstract kan het, zoals in Robert Graves’ The White Goddess (1948), de vreeswekkende Grote Godin zijn. Concreet kan het ook, zoals in Umberto Eco’s Il nome della rosa (1980), een gevaarlijk-verleidelijk boerenmeisje zijn. Op beide niveaus verenigt dit beginsel de vrouwelijke zegen van witte puurheid (het maagdelijk thema van de hortus conclusus) en de vrouwelijke vloek van zwart zielsverderf (the thema van Durga en Kāli als vernietigende natuurkracht). Het gaat om een elementaire dualiteit, zoals die nog expliciet wordt uitgedrukt in de eigentijdse Roma cultus van Sara-la-Kali, ‘Zwarte Sara’, in Saintes-Maries-de-la-Mer. Het is het negatieve – blind-aardse, subrationeel-neerwaartse – potentieel binnen het vrouwelijke beginsel dat, steeds minder in balans gehouden en steeds minder geremd naarmate het mannelijke beginsel aan kracht inboet, de voortschrijdende Moderniteit steeds meer overheerst. In die zin kan de Moderniteit worden begrepen als een combinatie van het tot ultieme degeneratie teruggebracht mannelijk beginsel en het tot ultieme perversiteit opgevoerd vrouwelijke beginsel. De uiterste consequentie van deze tweeledige ontwikkeling is de perverse heerschappij van de Grote Hoer: in de Bijbel wordt die heerschappij geïdentificeerd in de context van de Zeven Plagen van de eindtijd.

Toen kwam een van de engelen met de zeven schalen en sprak tot mij: ‘Kom, ik zal u het oordeel laten zien over de grote hoer, die zit aan de vele wateren. Met haar hebben de koningen der aarde gehoereerd, en de bewoners der aarde hebben zich bedronken aan de wijn van haar ontucht.’ En hij voerde mij in de geest naar de woestijn. En ik zag een vrouw, gezeten op een scharlakenrood beest, dat overdekt was met godlasterlijke namen; en het had zeven koppen en tien horens. De vrouw was gekleed in purper en scharlaken, en getooid met goud en juwelen en parels. In haar hand hield zij een gouden beker, boordevol met de walgelijke onreinheden van haar hoererij. En op haar voorhoofd stond een naam geschreven, een geheimzinnige naam: ‘Babylon, de grote stad, de moeder van de hoeren en de gruwelen der gehele aarde.’ En de vrouw was dronken van het bloed der heiligen en het bloed van Jezus’ martelaren. Toen ik haar zag, was ik zeer verbaasd… – Openbaring 17:1-6

In xiv and lxxxviii good hope is (g)rounded,
The Torturer’s Time (con)founded,
In The Sunset it is expounded.

Matriarchaat

Wanneer het patriarchaat, ooit gevestigd door krijgers, ten slotte ten onder gaat, dan keert de individualistische prestatie cultuur van de voorafgaande millennia weer terug naar haar prenatale oerstaat van collectivistisch atavisme.

– vrij naar Nicolás Gómez Dávila

Het Bijbelse visioen van de Grote Hoer wordt psychohistorisch gerealiseerd in het Matriarchaat van het Moderne Westen. Dit Matriarchaat is niet zozeer een letterlijke exclusieve machtuitoefening door hyper-geëmancipeerde vrouwen – hoewel dit mode-aspect ook in steeds sterkere mate zichtbaar wordt – maar eerder de effectieve feminisatie van de Westerse beschaving. Wie precies de macht uitoefent maakt niet uit: ‘ontmande’ mannen – bij voorkeur als zodanig uiterlijk expliciet herkenbaar als gays, transgenders en dociele affirmative action vertegenwoordigers – kunnen even goed het Matriarchaat aansturen als ‘ontvrouwde’ vrouwen. Het enige wat van belang is de eindbestemming van de totale feminisatie: anti-identiteit.

Sunset dateert de matriarchale Machtübernahme in de nasleep van de Eerste Wereld Oorlog: het Westerse manvolk is gedecimeerd in de loopgraven en het Westerse vrouwvolk wordt gedwongen in te vallen in alle maatschappelijke functies. Het resterende Westerse manvolk leidt – veelal onbewust – aan collectief vernederende survivor guilt en wordt bovendien niet langer aangestuurd door de Traditionele structuren die eerder het mannelijke beginsel van auctoritas expliciet vertegenwoordigden. De Monarchie, de Adel en de Kerk verliezen hun laatste wereldse gezag met de totale overwinning van de Moderniteit op de Traditie, aanschouwelijk geïllustreerd in de val van de supranationale Imperia van de Hohenzollerns, de Habsburgers, de Ottomanen en de Romanovs. In plaats daarvan zetten de Westerse volkeren de laatste stappen richting matriarchaat. In combinatie met economische emancipatie loopt vrouwelijk kiesrecht onvermijdelijk uit op totalitaire ‘sociale zekerheid’: de overheid gaat functioneren als abstracte ‘super echtgenoot’ en ‘super vader’ (‘Vadertje Staat’) en dwingt de overgebleven concrete echtgenoten en vaders via belastingen en alimentaties tot tribuutbetalingen. De collectivistisch-totalitaire superstaat van het 20e eeuwse Matriarchaat is geboren. In combinatie met ‘juridische gelijkheid’ loopt ‘sociale zekerheid’ onvermijdelijk uit op de ondergang van de traditionele familie als maatschappelijke norm: eenmaal juridisch en economisch ingedekt kunnen ‘vrijgemaakte’ vrouwen zich straffeloos bezig houden met relatie- en arbeidsexperimenten. Gedurende een paar decennia lossen alle traditionele waarden en normen zichzelf op in het zoutzuur van de matriarchale belevingsrealiteit, gekenmerkt door totalitaire doctrines als ‘gevoelsbeleving’ (subrationele communicatie), ‘gelijke kansen’ (potentienivellering) en ‘zelfontplooiing’ (narcistische rollenspellen): dit is het begin van The Century of the Self (Tony Curtis, 2002). Het is hierbij belangrijk aan te tekenen dat vanuit Traditionalistisch perspectief geen abstracte schuldvraag mogelijk is: vanuit Traditionalistisch perspectief is het Matriarchaat simpelweg de logisch noodzakelijke maatschappelijke eindvorm die staat aan het einde van de tijdscyclus. Het Matriarchaat is simpelweg het einddistillaat van een kosmisch feminisatie proces, gekenmerkt door de dislocatie en wildgroei van het archetypisch vrouwelijke beginsel – een proces dat uiteindelijke uitmondt in anti-identiteit.

Dit proces raakt in een stroomversnelling na de Tweede Wereld Oorlog en bereikt zijn volle kracht in de baby boomer counter culture van de jaren ‘60: het intensifieert in een vicieuze cirkel van zich wederzijds versterkende sociale ‘deconstructies’: politieke hyper-democratie, sociaal collectivisme, hedonistisch materialisme en cultuur-relativisme. Vanuit meta-historisch perspectief zijn de quasireactionaire tegenbewegingen van de 20e eeuw (Fascisme, Corporatisme, Nationaal Socialisme) niet meer dan hopeloze achterhoede gevechten. De onvermijdelijke nederlaag van deze bewegingen versterkt en versnelt de historische ontwikkeling van het Modern Westerse matriarchaat. Het einde van de Tweede Wereld Oorlog markeert de definitieve psychohistorische ‘castratie’ van de Westerse mannelijkheid: de biologische voortplanting en de culturele transmissie beginnen al snel te haperen. Op het wegebben van de laatste geboortegolf – de baby boomers zijn de kinderen van de great generation, de laatste authentiek ‘Westerse’ generatie – volgt de demografische sui-genocide. In het Postmodernistisch tijdvak (Sunset zet het beginpunt ervan gemakshalve in het jaar 1992) bereikt het Modern Westerse Matriarchaat een sociaal-politieke en cultuur-historische monopolie positie. Het totale Matriarchaat zal echter een kort leven beschoren zijn: het aanstaand afbreken van de biologische voortplanting en culturele transmissie in het Westerse hartland scheppen een fataal psychohistorisch vacuüm: het stadium van individuele psychologische implosie en collectief malignant narcisme is aangebroken (Christopher Lasch, 1979). Een Matriarchaat heft zichzelf uiteindelijk noodzakelijkerwijs op door het simpele uitblijven van (levensvatbaar) nageslacht. Voor zover er nog sprake is van enige inheems Westerse voortplanting – buiten kleine non-matriarchale sekten als de Mormonen en de Amish – is het overblijvende nageslacht collectief fataal getekend door de sociale en psychologische ontwrichting inherent aan het ‘één-ouder gezin’ en de ‘liberale opvoedingspraktijk’. Deze schrecklichen Kinder der Neuzeit (Peter Sloterdijk, 2014) zijn voor een groot deel onwettige kinderen, stiefkinderen, pleegkinderen, adoptiekinderen enzovoorts. Hier geldt steeds de matriarchale jurisprudentie van de baby boomers: baby boomer ‘privacy recht’ staat boven het recht om te weten wie je ouders zijn, baby boomer ‘zelfbeschikkingsrecht’ staat boven het recht om niet mishandeld, misbruikt en verwaarloosd the worden en baby boomer ‘eigendomsrecht’ staat boven het recht op een erfdeel. Zo prevaleert de door de ‘donorbank’ gefaciliteerde ‘spontane kinderwens’ van de ‘bevrijde vrouw’ altijd boven de existentiële levensbehoefte van elk opgroeiend kind: een eigen (biologische, echte) vader. Zo prevaleert de via importbruidjes gefaciliteerde ‘tweede jeugd’ van de flitsscheidende baby boomer altijd boven de nalatenschaprechten van het ‘stiefkind’. De numeriek inferieure postbaby boomer generaties zijn aldus juridisch, economisch en psychologisch gedoemd tot de maatschappelijke marge. Deze marginalisatie – een de facto staat van geforceerde Verelendung en anomie – wordt continu bevestigd en versterkt door de agressieve Cultuur-Nihilistische agenda van neo-liberalisme (sloop sociale zekerheid), globalisme (sloop economisch perspectief) en Umvolkung (sloop etnische cohesie).

Het Matriarchaat degradeert de Westerse beschaving tot de status van Grote Hoer van de wereld: de matriarchale open society is een gecalculeerde uitnodiging tot mateloze exploitatie door gewetenloze bankiers, politieke huurlingen, opportunistische criminelen, nietsontziende kolonisten en rancuneuze barbaren. Het Matriarchaat wil zich niet verdedigen: het vertegenwoordigt een onvoorwaardelijke overgave en een blinde onderwerping. Vanuit psychohistorisch perspectief is het Matriarchaat een sadomasochistisch vonnis dat de Westerse volkeren veroordeelt tot een perverse offerdood. Het Matriarchaat is meer dan een simpel emotioneel onvermogen tot zelfverdediging: het is de blinde impuls tot zelfopheffing. De matriarchale ideologie van het Cultuur-Nihilisme is niets anders dan een zelfverdovingsmiddel om deze blinde impuls zo lang mogelijk te laten aanhouden. Ondertussen worden de instrumenten van fysieke zelfopheffing in stelling gebracht: de martelwerktuigen van neo-liberale economische uitbuiting, globalistische politieke onderdrukking en etnische vervanging staan klaar om de postbaby boomer restbevolking van het Westen fijn te malen.

De etnische vervanging is ongetwijfeld het meest stereotypisch wrede element binnen het matriarchale martelinstrumentarium: zij geeft expliciete uitdrukking aan de nieuwe ‘wegwerpstatus’ van de Westerse volkeren en zij vertegenwoordigt tegelijk de ultieme sadomasochistische ‘strafexercitie’ van het Matriarchaat. De cultureel meest hoogstaande, de intellectueel meest verfijnde en de fysiek meest kwetsbare volkeren ter wereld worden in eigen thuislanden geconfronteerd met een invasie van de cultureel minst ontvankelijke, mentaal minst toerekeningsvatbare en fysiek meest geharde volkeren ter wereld. Het is kenmerkend voor de ziekelijkheid van de matriarchale ideologie om deze ultieme confrontatie als ‘morele plicht’ af te spiegelen. De onschuldige kinderen van het Westen, de fijngevoelige en kwetsbare erfgenamen van de meest verfijnde beschaving uit de menselijke geschiedenis, worden gedwongen op ‘voet van gelijkheid’ de sociaal-darwinistische ‘strijd om het bestaan’ aan te gaan met de meest nietsontziende kolonisten uit de donkerste binnenlanden van de Derde Wereld. De hostile elite van het Westerse Matriarchaat heeft de deuren van de schaapskooi wijd open gegooid zodat de schapen de ‘dialoog’ aan kunnen gaan met de wolven – ter wille van de ‘diversiteit’.

Het Matriarchaat wordt gesymboliseerd door een onbespreekbare perversie die in steeds meer ‘gebroken gezinnen’ gerealiseerd wordt: de zelfhatende ‘alleenstaande moeder’ zet in een dronken opwelling van zelfvernietigende ‘gastvrijheid’ de deur van de kinderkamer open voor haar ‘gasten’. De cultus van het Matriarchaat berust altijd op kinderoffers – in de Bijbel is de straf voor deze hemelschreiende cultus niets minder dan een eeuwigdurende vloek op het Verbondsvolk: Ze bouwden de offerhoogten van Tofet in het Ben-Hinnom-dal om er hun zonen en dochters te verbranden, ofschoon Ik dat niet had bevolen en er nooit van heb willen weten. Daarom komt er een tijd – godsspraak van de Heer – dat men niet meer zal zeggen ‘Tofet en Ben-Hinnom-dal’, maar ‘dal van de slachting’. En Tofet wordt één grote begraafplaats. De vogels en de wilde dieren azen op lijken van dit volk, zonder dat iemand ze opschrikt. In de straten van Juda en in de straten van Jeruzalem laat Ik de kreten van blijdschap en vreugde, het zingen van bruidegom en bruid verstommen: het land wordt één puinhoop. – Jeremia 7:31-34

De etnische vervanging middels massa-immigratie is een typisch feel good project van de matriarchale baby boomer Gutmensch: het laat de typisch matriarchale combinatie zien van doorgeslagen ‘moederinstincten’ (nietsontziende kolonisten worden afgespiegeld als zielige ‘vluchtelingen’) en sadomasochistische driftcomplexen (vrouwonderdrukkende polygamisten worden aanbeden als inspirerende dreamers). Het geeft uitdrukking aan de essentieel oikofobische emotionaliteit van het matriarchaat: de essentieel anti-identitaire oriëntatie van het Matriarchaat vindt haar expliciete uitdrukking in doelbewuste deterritorialisatie (‘open grenzen’) en xenofilie (‘multiculturalisme’). Het zijn echter niet de baby boomers, maar de postbaby boomers die de gifbeker van de etnische vervanging uiteindelijk tot op de bodem zullen moeten leegdrinken. Het zijn de toch al zo kwetsbare kleinkinderen van de baby boomers aan wie de volle onderdompeling in het gifbad van de ‘culturele diversiteit’ is voorbehouden – inclusief haar intieme uitingen in rapefugees, loverboys, grooming gangs, Sylvester Uebergriffe en tournantes. De verschrikkingen van matriarchale sociale implosie in combinatie met etnische vervanging, vooralsnog grotendeels verborgen achter de (zelf)censuur van het mediakartel, zijn zo onuitspreekbaar walgelijk dat ze feitelijk onbeschrijfbaar zijn. Met mondjesmaat komen hooguit een paar hallucinante details naar boven wanneer de sociale implosie ook niet-Westerse slachtoffers eist (Samira Bellil 2002, Ilan Halimi 2006, Mireille Knoll 2018). Wel worden de collectieve gevolgen voor de Westerse postbaby boomers in toenemende mate statistisch en praktisch zichtbaar. Hun White Death heeft vele gezichten: onrustbarende zelfmoordcijfers, epidemische verslavingsproblematiek, escalerende psychiatrische zorgvraag, massieve jeugdwerkloosheid, collectieve armoedeval en permanente sociale achterstand.

Om de roze roes van het Matriarchaat niet te laten vervliegen, blijft de realiteit van matriarchale sociale implosie een publiek en politiek taboe. Deels onbewuste (zelf)censuur is een essentieel onderdeel van de totalitaire ‘politieke correctheid’ die elk Matriarchaat moet kenmerken: het dogma van sociaal-culturele ‘vooruitgang’ – en de feminisatie in het verlengde daarvan – is de laatste publieke afgod van de Moderniteit. Institutionele cognitieve dissonantie is een absolute psychohistorische voorwaarde voor het gedijen van het Matriarchaat. Zoals het Matriarchaat zich in de private sfeer kenmerkt door subrationele (perverse, sadomasochistische) seksualiteit en nihilistische (anti-intellectuele, moreel-deconstructieve) opvoedingsstrategie, zo kenmerkt het zich in de publieke sfeer door politieke onverschilligheid en juridische ineffectiviteit. Gedurende de ‘verantwoordelijkheidsvakantie’ van het Postmoderne Matriarchaat worden de mannelijke principes van Nomos en Katechon geëlimineerd uit de publieke sfeer. Het wegvallen van Traditioneel mannelijke waarden als eerlijkheid, moed en rechtvaardigheid betekent dat de poortwachters van de beschaving wegvallen. De gevaren van de feminisatie blijven daarmee onbespreekbaar totdat ze zich in hun laatste consequenties aandienen. Het taboe op het Matriarchaat zal pas eindigen met de macht van het Matriarchaat. Tot die tijd is de is de Westerse beschaving gedoemd tot de ultieme hellegang.

De Zombie Apocalyps

Surely we have perished sleeping, and walk hell; but who these hellish?

– Wilfred Owen

Het eindscenario van de Westerse beschaving onder het Matriarchaat laat zich zonder moeite distilleren uit de eschatologische visioenen van de wereld van de Traditie. De oude profetie van ‘Ishtar’s Hellevaart’ bezigt daarbij beeldspraak die direct aansluit op wat in eigentijdse ‘moderne kunst’ de ‘Zombie Apocalyps’ wordt genoemd. Zelfs na het verlies van haar Transcendent belevingsvermogen blijven eigenaardige nachtmerries en visioenen de moderne mensheid plagen: voorgevoelens en voortekens dringen zich op aan moderne kunstenaars en zieners. De duistere middernacht van de moderne wereld wordt hier en daar opgelicht met bliksemschichten van hiërofanie en cryptomnesia die waarschuwend laten zien van wat de mensheid te wachten staat. Hedendaagse boeken, muziek, films en games staan in toenemende mate vol met enigmatische verwijzingen naar een aankomende catastrofe van ultieme horreur: de overname van de mensenwereld door de ‘levende doden’. Naarmate de immense neerwaartse kracht van het Matriarchaat de Westerse mensheid steeds dieper wegdrukt in radicaal seculair nihilisme en extreem malignant narcisme is het onvermijdelijk dat zij steeds verder terugvalt op haar archetypisch ondermenselijk substraat. Het is uit deze prehistorische ‘hel’ dat zij kan putten voor de demonische archetypes die passen bij haar nieuwe anti-identiteiten. Het enig alternatief voor authentieke Traditionele identiteit is namelijk niet het hyper-democratische en hyper-indivividualistische dolce far niente dat beloofd wordt door de valse profeten van de Moderniteit, maar een terugkeer naar wat onder authentieke Traditionale identiteit verborgen ligt. Daar ligt de hel van ondermenselijke anti-identiteit: de identiteit van de ‘verstokte zondaar’, de ‘verloren ziel’, het ‘dwalende spook’, de ‘hongerige geest’ en de ‘ondode vampier’.

Het hedonistisch-materialistische nirwana van de Moderniteit, voorgeleefd door de baby boomers, is een kortstondige koortsdroom die voor de Postmoderne mensheid binnenkort zal overgaan in een onvoorstelbare nachtmerrie. Het après nous le déluge motto van de baby boomers rekent buiten de kracht die de aankomende ‘helstorm’ werkelijk aanstuurt. Die kracht is het onbelichaamde kwaad, de kwade geest die de eeuwige tegenhanger is van de Heilige Geest, in de Bijbel gepersonifieerd als de ‘Prins der Lucht’ (Efeziërs 2:1-2.). Het uithollen van alle authentieke vormen van menselijke identiteit – het ontstaan van een luchtledig in de menselijke ziel – biedt deze kwade kracht tenslotte kans vorm en gestalte aan te nemen in de mensheid. Het is deze kracht die uiteindelijk bezit zal nemen van de ‘dode ziel’ van de Westerse mens: Het einde van de wereld is niet wat wij ons ervan voorstelden. Tot voor kort werd gevreesd dat vuur van de hemel zou neerdalen, dat de aarde zou schudden en splijten en dat de zee over het land zou spoelen. Maar het is het ongeziene en ontastbare dat het einde van de mensheid brengt: het einde komt met de wind. Hij komt ongemerkt – een eerst een vlaagje, dan een briesje, dan een storm, [zoals] een leugen [tot] verraad aanwakkert [en dan tot] moord. Dan wordt [deze wind] onweerstaanbaar en brengt een tomeloze koortsstorm: vriend tegen vriend, broer tegen broer, kind tegen ouder en ten slotte de mens tegen zichzelf. Dan verdwijnen zelfs tijd, dood en noodlot in een bodemloze put. – The Wind (Michael Mongillo, 2001)

De cultuur-historische aanloop tot de Zombie Apocalyps is gestaag: de eerste subtiele voortekenen van de ‘levende doden’ dateren terug tot de laat-19e eeuwse artistieke genres van de revenant en vampier, uitgewerkt in de literatuur van Joseph Sheridan Le Fanu (Carmilla, 1872) en Guy de Maupassant (Le Horla, 1887) en in de schilderkunst van John Collier (Lilith, 1892) en Edvard Munch (Vampire, 1895). De wetenschappelijke ontdekking van het fenomeen van de ‘levende dode’ volgt met de psychoanalytische beschrijving van het narcisme door Sigmund Freud (Einführung des Narzissmus, 1914). Het zijn echter pas de laat-20e eeuwse cultuur-historische analyses van Tom Wolfe (‘The ‘Me’ Decade’, 1976) en Christopher Lasch (The Culture of Narcissism,1979) die het directe psychohistorisch verband leggen tussen het oude archetype van de klassieke vampier en het nieuwe stereotype van de moderne narcist. In de late jaren ’70 beginnen cultuurhistorici de eerste stadia te beschrijven van een ‘narcisme epidemie’ in het Westerse hartland. In diezelfde jaren wordt de Zombie Apocalyps deel van het cinematografisch standaard repertoire: George Romero’s Dawn of the Dead (1978) definieert het nieuwe genre.

De onbewuste angsten die worden geprojecteerd in de ‘Zombie Apocalyps’ worden gevoed met het uiteenvallen van alle vormen van sociale cohesie tijdens de ‘narcisme epidemie’ die de Westerse samenleving treft met de opkomst van de baby boomer generatie. In de nadagen van de baby boomers wordt die epidemie van extreem geatomiseerd hyper-individualisme nog eens wordt versterkt door digitale technologieën: de effectieve vervanging van persoonlijke communicatie door social media en van sociale activiteiten door virtual reality versterkt de narcistische tendens tot zelf-objectificatie en de-personificatie. De technologische abstractie van sociale interactie (Facebook in plaats van face time) en de technologische manipulatie van sociale identiteit (‘profiel’ in plaats van persoonlijkheid) versterken tegelijk de maatschappelijke tendens tot feminisatie: uiterlijke presentatie en sociale consensus worden versterkt ten koste van inhoudelijke substantie en abstract normbesef. De masculiene publieke sfeer wordt in toenemende mate verdrongen door de feminiene privésfeer: obsessieve fixatie op beeldvorming in de social media en in smartphone egocommunicatie verandert letterlijk het straatbeeld, de werkvloer en de politieke arena. Massa’s zelf-geabsorbeerde ‘slaapwandelaars’, met glazige ogen benedenwaarts starend, schuivelen nu al in drommen rond door alle Westerse steden. Daarmee is de eerste fase van de Zombie Apocalyps een invasie van de masculiene publieke sfeer door de feminiene privésfeer en een verdringing van publieke belangen door private prioriteiten: egoïsme en narcisme worden standaard omgangsmodaliteiten. In dit opzicht kan de opkomst van het nihilistisch neo-liberalisme van de jaren Reagan/Thatcher/Lubbers als een belangrijk omslagpunt worden beschouwd. De tweede fase van de Zombie Apocalyps is het verlies van rudimentaire publieke omgang- en gedragsnormen: de opheffing van de publieke sfeer wordt gevolgd door de opheffing van schaamtebesef. Het narcistische motto be yourself bepaalt in toenemende mate kleding, spraak en houding. Massa’s ongewassen, in gescheurde vodden geklede en ongearticuleerd grommende ‘zombies’ zijn al zichtbaar in alle grotere Westerse steden. De derde fase van de Zombie Apocalyps is ongeprovoceerde agressie (‘zinloos geweld’, ‘verwarde mannen’, school shootings): het ongestraft domineren van egoïsme en narcisme in de voormalige publieke sfeer maakt extreme elementen overmoedig en leidt tot een kettingreactie van verbaal en fysiek geweld.

De dynamiek van de Zombie Apocalyps wordt uiteindelijk bepaald door reële existentiële angsten: filmische scenario’s waarin gezinsleden, familieleden, buren en collega’s elkaar plotseling zonder provocatie en zonder waarschuwing fysiek aanvallen zeggen veel over de maatschappij die zulke scenario’s ‘droomt’. De zombies, in zichzelf gekeerde monsters waarmee geen zinnige communicatie meer mogelijk is, leven in die scenario’s van het vlees en bloed van de steeds schaarser wordende overlevenden – net zoals narcisten zich voeden met de energie en levenskracht van hun slachtoffers. De paar gezonde individuen die niet zijn ‘geïnfecteerd’ moeten zien te overleven in een dodelijk landschap waarin alle vormen van wet, orde en bescherming wegvallen (as in The Walking Dead, Frank Darabont 2010) – net zoals de overblijvende niet-narcisten worden gemarginaliseerd wanneer hun wereld wordt overspoeld door de ‘narcisme epidemie’. Deze niet-narcisten weten dat de echte ‘zombies’ geen langzaam strompelende dommekrachten zijn: narcisten zijn snel, slim en zeer goed aangepast aan de Moderne wereld – ze voelen zich goed en doen het goed in de Moderne wereld. Het zijn de niet-narcisten die in het nadeel zijn: ‘gehandicapt’ door ouderwetse kenmerken zoals verantwoordelijkheidsbesef, arbeidsethos en professioneel talent worden zij in toenemende mate weggezet in de maatschappelijke marge. De bekend-beruchte ‘Frankfurt School’ sociaal psycholoog Erich Fromm erkende al de expliciet de mogelijkheid van een systematische ‘omkering’ van de maatschappelijke standaard van ‘normaliteit’: Een geestesziek individu voelt zich thuis tussen andere soortgelijk geesteszieke individuen. Een hele cultuur kan zich voegen naar deze pathologie. Het resultaat is dan dat de gemiddelde persoon, al hoewel geestesziek, niet langer de isolatie ervaart die een extreem schizofrene persoon voelt. Hoe voelt zich op zijn gemak tussen de vele anderen die aan dezelfde deformatie lijden. Deze ontwikkeling kan zover doorschieten dat een overgebleven gezonde persoon zich maatschappelijk geïsoleerd gaat voelen – en hij kan zo erg lijden onder de onmogelijk tot normale communicatie dat hij psychotisch wordt (The Anatomy of Human Destructiveness, 1973 – eigen vertaling). Met andere woorden: Het is geen graadmeter van gezondheid dat men goed is aangepast aan een diep zieke maatschappij (Jiddu Krishnamurti).

Zo is het tijdens de narcisme epidemie onvermijdelijk dat mannelijk gedrag ‘gediagnoseerd’ wordt als Attention Deficit Hyperactivity Disorder, wetenschappelijk talent als Asperger Syndroom, kunstzinnig talent als Bipolaire Stoornis en spirituele inspiratie als Paranoïde Schizofrenie. Zo zijn het de meest begaafde leden van de Westerse samenleving die de eerste slachtoffers worden van de narcistische Zombie Apocalyps: het zijn de dappere soldaat, de topwetenschapper, de geniale artiest en de spirituele leider die het eerst verdwijnen in de grote nivellering van het collectief narcisme. Hun wegvallen versnelt de neerwaartse spiraal van de Regressie van de Kasten – en de voortgang van de Zombie Apocalyps. Wat nu nog overblijft is een ‘schijnelite’ van narcistische valsemunters (Martin Bosma, 2011) die de weg effent voor steeds extremere vormen van narcisme, gefaciliteerd door steeds lagere maatschappelijke ‘normen en waarden’ en steeds drastischer vormen van sociaal atavisme.

De nietsontziende World War Z (Marc Forster, 2013), de ultieme bellum omnium contra omnes die besloten ligt in de ‘narcisme epidemie, is allang begonnen: de artistieke Zombie Apocalyps projecteert de nieuwe realiteit slechts in extremere vorm op de nabije toekomst. Vaak zijn deze artistieke projecties doordrongen van een sinistere ondertoon van onweerstaanbaar terugkerende eschatologische mythologie: de remake van Dawn of the Dead (Zack Snyder, 2004) wordt bijvoorbeeld ingeleid door Johnny Cash’ artistieke Bijbel exegese The Man Comes Around. Zo doemen de ‘opvolgers’ van de Westerse mensheid op aan de waarnemingshorizon van de Westerse geschiedenis. De ‘levende doden’ zijn al bespeurbaar door de openstaande poorten van de hel: Elke soort kan zijn uitsterven ruiken. De laatste overlevenden zullen geen aangename tijd hebben. En over tien jaar, of minder, zal het mensenras nog slechts een kindersprookje zijn voor [onze] opvolgers – een mythe, en niets meer dan dat. – In the Mouth of Madness (John Carpenter, 1994)

Misschien moeten vele beschaafde Westerse mensen er nog wennen dat de ‘Zombie Apocalyps’ geportretteerd in de Nieuwe Wereld van Hollywood hen iets te leren kan hebben – voor hen sluit dit opstel daarom met de ‘Droom van Raskolnikov’, de verbijsterende literaire profetie van een van de grootste schrijvers van de Oude Wereld: Hij droomde dat de hele wereld was veroordeeld tot een nieuwe, verschrikkelijke en uitermate vreemde plaag die vanuit de diepten van Azië over Europa kwam. Alle mensen moesten worden vernietigd, behalve een paar uitverkorenen. Nieuwe soorten microben vielen de lichamen van de mensen aan, maar ze waren uitgerust met intelligentie en wilskracht. Mensen die door hen werden aangevallen werden tegelijk krankzinnig en woedend. Maar nooit hadden mensen zichzelf zo intellectueel en waarheidsbewust geacht als deze zieken – nooit hadden ze hun beslissingen, hun wetenschappelijke conclusies [en] hun morele overtuigingen voor zo onfeilbaar gehouden. Hele dorpen, hele steden en [hele] volkeren werden krankzinnig door de infectie. Iedereen was opgewonden en niemand begreep elkaar. Een ieder dacht hij alleen de waarheid kende en werd ongelukkig wanneer hij naar de anderen keek, sloeg zichzelf op de borst, huilde, en wrong zijn handen. Zij wisten niet hoe zij moesten oordelen en zij konden het niet onder elkaar eens worden over wat goed en wat kwaad was – zij wisten niet wie schuldig te bevinden en wie voor rechtvaardig te houden. Zij verzamelden zich in legers tegen elkaar, maar al tijdens de mars begonnen zij elkaar aan te vallen. De gelederen werden verbroken door soldaten die elkaar aanvielen: ze staken, sneden en beten elkaar – en aten elkaar op. Noodklokken werden overal de hele dag door geluid in alle steden: mensen kwamen samen, maar niemand wist wie wie geroepen had, of waarom. Zelfs de eenvoudigste werkzaamheden werden stopgezet omdat iedereen alleen met zijn eigen ideeën en eigen wereldverbeterplannen bezig was – en niemand kon het eens worden. Het land lag braak. Mensen ontmoetten elkaar in groepen, besloten iets en beloofden elkaar trouw, maar begonnen dadelijk weer iets heel anders te doen. Zij beschuldigden elkaar, vochten met elkaar en doodden elkaar. Alle mensen en alle dingen werden vernietigd. De plaag verspreidde zich verder en verder. Over de hele wereld kon slechts een handjevol mensen worden gered. Zij waren de uitverkorenen, bestemd om een nieuw ras en een nieuw leven te beginnen – om de aarde te vernieuwen en te reinigen. Maar niemand had deze mensen ooit eerder gezien – niemand had hun woorden en stemmen ooit eerder gehoord.- Fyodor Dostoevsky, Misdaad en Straf (1866)

Nawoord: ‘The Remains of the Day’

De Moderniteit is geen noodlot: er bestaan nog verborgen tegenkrachten.

– Nicolás Gómez Dávila

De bovengeschetste analyse van het fenomeen Zombie Apocalyps werpt onwillekeurig de vraag op naar het nut van voorkennis van een dergelijk verschrikkelijk ‘einde van de wereld’. Vanuit Traditionalistisch perspectief is het antwoord op die vraag eenvoudig: de catastrofale Crisis van de Moderniteit die het aan het slotstuk vormt van de Westerse beschavingscyclus is tegelijk een noodzakelijke voorwaarde voor de wedergeboorte van de Traditie. Het aanstaand terugzinken van de Westerse Moderniteit in de vergetelheid van de oerchaos kan daarmee – althans in theorie – ook het onverwacht voorspel zijn tot de wederopstanding van de Westerse mens. Net zoals haar historische achtergrond, het Matriarchaat, zo is de Zombie Apocalyps noodzakelijkerwijs slechts van korte duur. Net zoals het Matriarchaat uitsterft met het wegvallen van demografische reproductie, zo is de zombie populatie tot uitsterven gedoemd is met het wegvallen van haar voedselbron. Er zijn echter betrouwbare aanwijzingen dat het Matriarchaat nog ruimschoots vóór het fysieke uitsterven van de Westerse volkeren zal eindigen. Ten eerste betekent de etnische vervanging van de Westerse volkeren dat het Matriarchaat zichzelf heeft veroordeeld tot een vervroegd einde: de primitieve kolonisten die zich nu in het Westerse hartland vestigen zorgen namelijk voor een feitelijke herintroductie van het patriarchaat, al dan niet in de vorm van een Islamitisch Kalifaat. Ten tweede is er onder Westerse mannen van de postbaby boomer generaties een duidelijke reactie op – en mobilisatie tegen – het Matriarchaat: zij kiezen in toenemende mate voor Traditionele huwelijksvormen en wereldbeelden. De wijdverspreide fenomenen van het huwelijk met feminiene niet-Westerse vrouwen en de overgang tot stabiele Traditionele godsdienstvormen zijn in dit opzicht betekenisvol. Ten derde is er de toenemende waarschijnlijkheid dat een nieuwe innerlijke immuniteit tegen het Matriarchaat uiteindelijk een kritieke massa zal bereiken en zal omslaan in een uiterlijke revolutie: het théâtre de l’absurde van het Matriarchaat en de totalitaire repressie van de Westerse masculiniteit kunnen een graad van ondraaglijkheid bereiken die leidt tot een plotselinge en dramatische omslag. Het valt te hopen dat deze drie factoren nog tijdig samenkomen in een scenario dat verenigbaar is met het overleven van de Westerse beschaving, inclusief haar relatief gunstige positie van de vrouw, haar relatief sterk ontwikkelde zin voor sociale rechtvaardigheid en haar relatief grote mate van persoonlijke vrijheid. Of deze verfijnde verworvenheden de aanstaande Crisis van het Moderne Westen kunnen overleven is echter de vraag: de extreme uitwassen van het Matriarchaat lokken een even extreme neo-patriarchale tegenreactie uit – die zou wel eens weinig ruimte kunnen overlaten voor zulke beschavingsvormen. Westerse vrouwen zouden er daarom goed aan doen de zinkende Titanic van het Matriarchaat discreet en op tijd te verlaten.

Het is zeer wel mogelijk dat de Westerse beschaving ten onder gaat in het Matriarchaat en in de erop volgende Zombie Apocalyps – en dat er weinig meer van overblijft dan van de weggespoelde wereld van Atlantis: een handjevol vluchtelingen en een mythe. Vanuit Traditionalistisch perspectief is echter het enige dat uiteindelijk telt dat handjevol overlevenden – en wat in hen overleeft. Zelfs de ondergang van 99% van de Westerse mensheid kan een noodzakelijk prijs zijn voor de redding van een klein restant ‘uitverkorenen’. In die zin heeft het Traditionalistisch gedachtegoed tegelijk een ‘profetische’ functie: het wijst op de mogelijkheid van ‘uitverkiezing’ en het waarschuwt de ‘uitverkorenen’ om tijdig afstand te nemen van de Grote Hoer van het Matriarchaat. Vanuit Traditionalistisch perspectief is het Matriarchaat niets minder dan de ultieme personificatie van de Moderniteit – in Traditionele bewoordingen is het niets minder dan de gedoemde stad van de Grote Hoer: Gevallen, gevallen is Babylon, de grote stad. …Vertrek, mijn volk, verlaat de stad, opdat gij niet deelt in haar zonden en geen deel krijgt aan haar plagen. Want haar zonden hebben zich opgestapeld tot aan de hemel, en God heeft zich haar ongerechtigheden herinnerd. …Daarom zullen op één dag haar plagen komen, pest en rouw en hongersnood en zij zal door het vuur worden verteerd. Want sterk is God, de Heer, die haar heeft gevonnist – Openbaring 18:2, 4-8.

Een ‘profetie’ als deze is niet gericht tot iedereen: zij is alleen gericht tot hen die nog ‘oren hebben om te horen’ – tot hen die zich hun authentieke identiteit en roeping herinneren. Praktisch besproken zijn dat: zij die ‘bio-evolutionair’ immuun zijn voor het anti-identitaire ‘zombie virus’ van de Moderniteit – zij die (stukjes van) de authentieke identiteiten van etniciteit, stand, geslacht en roeping in zichzelf bewaren. De essentiële functie van het Traditionalistisch gedachtegoed is het bewaren van kennis over deze identiteit en deze roeping: het is de Waker over de Traditie. Het Traditionalisme waakt over duur gekochte kennis – kennis die door lange generaties voorouders betaald is met bloed, zweet en tranen. Zijn ‘nachtwacht’ tilt de Traditie over de ballingschap van de Moderniteit heen. Het is dit besef dat alle oude historische Tradities doortrekt. In dit opzicht kunnen de Westerse volkeren veel leren van de Joodse Traditie, de oudste overlevende historische Traditie ter wereld – die zegt het zo: (Jiddisch) Ir vet, kinder, elter vern, vet ir aleyn farshteyn, vifl in di oysyes lign trern, un vi fil geveyn. Az ir vet, kinder, dem goles shlepn, oysgemutshet zayn, zolt ir fun di oysyes koyekh shepn, kukt in zey arayn! ‘Jullie zullen ouder worden, kindertjes [en dan] zullen jullie zelf begrijpen, hoeveel tranen liggen in deze letters en hoeveel geween. Wanneer, kindertjes, jullie de Ballingschap zullen dragen [en] uitgeput zullen zijn, [dan] mogen jullie uit deze letters moed scheppen, [dus] kijk erin!’- Oyfn Priepetsjiek.

Het is alleen een nieuwe generatie ‘getrouwen’ – het handjevol jonge mensen dat immuniteit heeft opgebouwd tegen het ‘zombie virus’ van het Cultuur-Nihilistische Matriarchaat – dat de zelfovertreffende wedergeboorte van de Westerse beschaving kan realiseren. De beloften van de Traditionalistische Palingenesia, de Archeo-Futuristische Renaissance en de Identitaire Revolutie richten zich exclusief tot hen. Zij staan voor de ultieme test van de Westerse geschiedenis, maar wat hen niet doodt zal hen sterker maken.

Het begin van de 21e eeuw zal de wanhopige middernacht van de wereld zijn.
Maar het is altijd het donkerst vlak voor de dageraad.
Laat ons onze kinderen voorbereiden op oorlogsvoering.
Laat ons onze jeugd, desnoods een kleine minderheid, opvoeden tot een Nieuwe Adel.

– Guillaume Faye

Leave a Reply

Your email address will not be published.