De roeping van Nederland

Overwinning en onafhankelijkheid in 1648, na 80 jaar oorlog

Hoe bepaalt het metafysieke kader onze fysieke identiteit? Een korte Traditionalistische analyse van het wezen van het Nederlandse volk.

door Alexander Wolfheze

Hoofdstuk 3 uit Alba Rosa. Tien Traditionalistische opstellen over de Crisis van het Moderne Westen (Londen: Arktos: 2019).

Denk niet dat Ik gekomen ben om vrede te brengen op de aarde;
Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard.

– Mattheüs 10:34

Etnische roeping

Volkeren hebben, zoals enkelingen, elk hun eigen roeping en zij stralen die uit,
of zij blijven onvruchtbaar en worden vergeten, al naar gelang
zij gehoorzaam of weerspannig staan tegenover die roeping.

– Paus Pius XII

Naar Traditionalistisch begrip kunnen alle vormen van authentieke identiteit, inclusief godsdienst, etniciteit, stand en geslacht, worden beschouwd als ‘roepingen’: zij spelen de rol van immanent-micro-kosmische ‘roepingen’ die transcendent-macro-kosmische idealen uitdrukken. Vanuit Traditionalistisch oogpunt kan daarom de geboorte van een individueel menselijk wezen, noodzakelijkerwijs altijd in een zeer specifieke fysieke, geografische, historische en culturele context, nooit ‘toeval’ zijn: het is altijd een ‘lotsbestemming’ met specifieke mogelijkheden en specifieke beperkingen – met specifieke rechten en specifieke plichten. Voor zover een individu erin slaagt de exoterische en esoterische betekenis van zijn of haar lotsbestemming te begrijpen en te accepteren zal hij of zij zijn of haar leven ervaren als een ‘roeping’. Op zuiver individueel niveau worden de voor de hand liggende categorieën van ‘biologische roeping’ (ras, geslacht, leeftijd) en ‘culturele roeping’ (etniciteit, stand, erfgoed) aangevuld door strikt ‘persoonsgebonden’ categorieën die fysieke, intellectuele, morele en spirituele neigingen: dit zijn de aanvullende ‘roepingdimensies’ die normaal gesproken worden aangemerkt als ‘talenten’. De resulterende specifieke combinaties tonen een dermate wijd spectrum van individuele variatie dat elk individueel mens in theorie als ‘uniek’ kan worden beschouwd – een unieke naam en een unieke plaats in de wereld waardig. Maar in de wereld van de Traditie was het nu juist niet de uniciteit van het individu die telde: wat telde was de mate waarin individuen in staat waren om op micro-kosmisch niveau, dat will zeggen in hun personae, de macro-kosmische idealen te verwezenlijken die overeenkwamen met hun totale roeping. Dit nastreven van roeping en de eruit voortvloeiende ‘wil tot lotsbestemming’ verklaren de anonieme en archetypische kwaliteit van de oude wereld van de Traditie – haar bovenmenselijke grootsheid, haar sublieme kunst en haar onpersoonlijke afstandelijkheid. In de wereld van de Traditie trachtte de mensheid zich steeds te richten naar en te conformeren aan ‘model’ idealen. Deze archetypische modellen – ‘Koning’, ‘Krijger’, ‘Priester’, ‘Vader’, ‘Moeder’, ‘Man’, ‘Vrouw’ – waren essentieel bovenmenselijke idealen. In termen van de moderne psychoanalyse komen deze modellen grosso modo overeen met Jung’s archetypische beelden – ‘onbewuste’ boodschappers uit een verborgen unus mundus. De moderne mensheid is nu zover verwijderd geraakt van deze archetypen – en van de Transcendente Sfeer die erin gespiegeld ligt – dat zij er zelfs aan twijfelt dat ze ooit echt bestaan hebben. Maar ondanks hun verwijdering uit de fysieke wereld en hun verdringing uit de psychische wereld blijven ze doorspoken in sporadische vlagen van numineuze ervaring: dromen, visioenen en voortekenen.

In de wereld van de Traditie vereiste de verwezenlijking van die model idealen een opzettelijk opheffing van het ‘zelf’ en een strenge stilering van ‘persoonlijkheid’. De ‘ont-persoonlijking’ vereist bij dit archetypisch conformisme verklaart fenomenen zoals de ‘regeringsnaam’ van de koning (bij aanvaarding van een heilige opdracht), de accolade van de ridder (bij aanname van adellijke status) en de tonsuur van de monnik (bij afstand van werelds streven). Het is duidelijk dat de mate waarin individuen erin feitelijk in slaagden hun persoonlijke roeping te vervullen in hoge mate fluctueerde, maar het bovenmenselijk ideaal achter die roeping fluctueerde niet. Met andere woorden: de standaard waaraan roeping gemeten werd was steeds onveranderlijk. Deze standaard werd gewaarborgd door de holistische kwaliteit en anagogische richting die kenmerkend zijn voor alle Traditionele gemeenschappen: ‘individualiteit’ en ‘persoonlijkheid’ waren steeds onlosmakelijk verbonden met zowel sociale functionaliteit als transcendente doelstelling. Het is de toenemende afstand van die standaard, die functionaliteit en die doelstelling die de ‘Moderniteit’ definiëren: moderne ‘geschiedenis’ en moderne ‘vooruitgang’ zijn daarmee per saldo niet anders dan beschrijvingen van het verlies van alle substantiële vormen van roeping. Vanuit Traditionalistisch perspectief kan authentieke identiteit worden gedefinieerd als overeenstemming met substantiële roeping – een falende overeenstemming met substantiële roeping staat daarmee gelijk aan een verlies van authentieke identiteit. In die zin kan de Moderniteit worden gedefinieerd als een falen van roeping en een verlies van identiteit – zo bezien is de Moderniteit niet anders dan een ontkenning van Traditie.

In de wereld van de Traditie was de collectieve identiteit van ‘een volk’ – een etniciteit – altijd een samengaan van verschillende soorten concrete identiteiten: religieuze identiteit, genetische identiteit en taalkundige identiteit waren zijn meest basale componenten. De gedeelde spirituele beleving, het gedeelde genealogische erfgoed en het gedeelde taalkundige medium definieerden de grenzen van etniciteit. Tot op bepaalde hoogte waren deze grenzen steeds poreus: Traditionele etniciteiten waren bio-culturele organismen die moesten kunnen groeien, krimpen en veranderen, al naar gelang veranderende omstandigheden. Zij moesten in staat zijn om nieuwe religieuze ideeën, nieuwe genetische elementen en nieuwe taalkundige concepten te absorberen, af te stoten en te wijzigen, al naar gelang hun belangen. Daarmee waren de grenzen van Traditionele etniciteit flexibel – maar niet in onbeperkte mate. Sterke etniciteiten werden altijd gekenmerkt door goed bewaakte grenzen en de sterkste etniciteiten – die welke het langst overleefden – waren die welke de sterkste grensbewaking hadden. Dit wordt geïllustreerd door het feit dat de oudste overlevende historische etniciteit, de Joodse, zeer hoge ‘buitenmuren’ heeft: het zeer ingewikkelde proces van ‘bekering tot het Jodendom’ is in feite niets anders dan een nauwlettend bewaakt programma van etnische assimilatie: ‘overgang tot het Jodendom’ is daarom een veel betere omschrijving ervan. Binnen de grenzen van Traditionele etniciteit worden ‘volkeren’ gedefinieerd door hoogst gespecialiseerde existentiële modaliteiten – elk volk wordt letterlijk omsloten en ingesloten in een dergelijke modaliteit. Binnen deze modaliteiten leven individuen het leven van hun volk – en leeft het volk in hen. In Modern filosofische termen komen de grenzen van deze modaliteiten overeen met Heidegger’s gespecialiseerde tijd (de beschermende tijdshorizon van Kulturkreisen) en gespecialiseerde ruimte (de beschermende ruimtehorizon van Blut und Boden) – een thema nader uitgewerkt in Wolfheze, Alba Rosa, Hoofdstuk 8.

Wanneer een individu de existentiële modaliteit van zijn volk verlaat, zonder een geritualiseerde ‘overgang’ naar een ander volk via een strikt geformaliseerde uitwisseling procedure (huwelijk, adoptie), dan wordt hij een verstoteling: hij wordt letterlijk ‘niemand’. Een archetypische uitdrukking van het resulterende ‘verlies van ziel’ is te vinden in het Bijbelse verslag van de Vloek van Kaïn: En nu zijt gij vervloekt van den aardbodem, die zijn mond heeft opengedaan, om uws broeders bloed van uw hand te ontvangen. Als gij den aardbodem bouwen zult, hij zal u zijn vermogen niet meer geven; gij zult zwervende en dolende zijn op aarde (Genesis 4:11-12). In de wereld van de Traditie werd het verlies van etnische identiteit ervaren als een lot erger dan de dood – het is een sentiment dat gespiegeld wordt in de klacht van Kaïn: En Kaïn zeide tot den Heere: Mijn misdaad is groter, dan dat zij vergeven worde. Zie, Gij hebt mij heden verdreven van den aardbodem, en ik zal voor Uw aangezicht verborgen zijn; en ik zal zwervende en dolende zijn op de aarde, en het zal geschieden, dat al wie mij vindt, mij zal doodslaan (Genesis: 4:13-14). Zo begrepen betekent het verlies van etnische identiteit onder invloed van de moderne ‘vooruitgang’ voor moderne mensen niets minder dan dat zij onder Vloek van Kaïn staan: gereduceerd tot geatomiseerde individuen zonder geschiedenis en zonder toekomst, zonder een thuis en zonder een naam, verworden zij tot ‘verloren zielen’, ertoe veroordeeld over de aarde te zwerven zonder rust en zonder bestemming. Het is onvermijdelijk dat aan deze verloren zielen de diepste betekenis van Etnische Roeping volledig voorbij gaat. In de schaduw van dit ‘verlies van ziel’, is het de taak van alle oprechte opvoeders om jonge mensen te waarschuwen voor het vitale verlies inherent aan het verlaten van hun Etnische Roeping.

Etnische roeping in het Postmoderne Westen

En Kaïn ging uit van het aangezicht des Heeren;
en hij woonde in het land Nod, ten oosten van Eden.

– Genesis 4:16

Binnen het kader van de Postmoderne ideologie van het Cultuur-Nihilisme is Etnische Roeping een taboe onderwerp: zelfs de meest voorzichtige aanwijzing dat etnische identiteit een ‘hogere betekenis’ kan hebben – en die betekenis ligt onvermijdelijk besloten in het begrip ‘roeping’ – leidt altijd to een ware barrage van laster en belediging. De standaard Cultuur-Nihilistische reactie op elke rationele discussie van onderwerpen als historische etniciteit en nationale identiteit behelst beschuldigingen van ‘racisme’ en ‘nationalisme’ – termen die in het Westerse publieke discours onlosmakelijk verbonden worden met de onverwerkte trauma’s van de 20e eeuwse geschiedenis van de Westerse volkeren. Zulke letterlijk betekenisloze beschuldigingen zijn vanzelfsprekend bedoeld om elke herinnering te onderdrukken aan de in hoge mate inconvenient truth van de dubbel bio-evolutionaire en cultuur-historische realiteit van etniciteit. De Cultuur-Nihilistische doctrine is eenvoudigweg niet verenigbaar met een rationele discussie van deze realiteit. Het is daarmee onvermijdelijk dat de Cultuur-Nihilistische hostile elite leeft in een hermetisch gesloten mentale zeepbel – een zeepbel die een permanente staat van ontkenning mogelijk maakt. Het is aan de nieuwe génération identitaire van het Postmoderne Westen om die zeepbel door te prikken, haar legitieme erfdeel op te eisen en haar Etnische Roeping te hervinden.

De ‘Westerse volkeren’ kunnen pragmatisch worden gedefinieerd als de inheemse volkeren van het Europese continent ten westen van de religieuze scheidslijn die resulteerde uit het Grote Schisma van 1054 (ongeveer het huidige gebied van de EU en EER minus Roemenië, Bulgarije, Griekenland en Cyprus) plus hun overzeese volksplantingen (de overzeese Anglosfeer, delen van Latijns Amerika en Zuid-Afrika). Onder deze ruwe definitie zijn er tenminste vier dozijn Westerse etniciteiten, elk met hun eigen specifieke Etnische Roeping. Deze Etnische Roepingen komen echter wel in bepaalde eigenschappen overeen. Ondanks aanmerkelijke historische mengprocessen en variaties zijn er drie kernovereenkomsten: (1) een gedeeld fysiek fenotype (het Kaukasische ras), (2) een gedeelde godsdienstige Traditie (de Katholiek-Protestantse res publica christiana) en (3) een gedeeld taalkundig erfgoed (de Indo-Europese taalfamilie). Vanuit Traditionalistisch perspectief kunnen deze drie ‘criteria’ noch zuiver materialistisch, noch streng reductionistisch worden opgevat: ‘fenotype’ verwijst eerder naar een model van fysieke uitdrukking dan naar ‘raciale puurheid’, ‘godsdienst’ verwijst eerder naar een model van spirituele ervaring dan naar theologische dogmatiek en ‘taal’ verwijst eerder naar een model van creatieve capaciteit dan naar taalkundige afgeslotenheid. Het is hierbij belangrijk de historische hybriditeit te benadrukken van de fenotypische, godsdienstige en taalkundige wortels van de Westerse beschaving. Deze oorsprong ligt in de Völkerwanderung, die resulteerde in een fenotypische menging op continentale schaal, de Kerstening, die resulteerde in een de facto fusie van Christendom en Heidendom, en de Romanisering, die resulteerde in een ‘Klassieke’ standaard in alle Westerse vormen van intellectuele en artistieke uitdrukking. Het is daarenboven ook nog belangrijk aan te tekenen dat de drie criteria van fenotype, godsdienst en taal noch volledig exclusief, noch volledige uitputtend kunnen worden opgevat: ze laten aanzienlijke ruimte voor ‘afwijkingen’ in de vorm van reducties, compromissen en aanvullingen. De meest prominente afwijkingen zijn: (1) aanzienlijke genetische bewegelijkheid in bepaalde overzeese volksplantingen (vooral in Latijns Amerika ten zuiden van de Steenbokskeerkring), (2) een bepaalde mate van godsdienstige beweeglijkheid aan de oude landgrenzen met het Orthodoxe Christendom en de Islam (vooral in de Oekraïne en op de Balkan) en (3) specifieke taalkundige uitzonderingen (vooral met betrekking tot de Finno-Oegrische volkeren). Volgens een maximaal ‘inclusieve’ definitie kunnen aldus bepaalde niet-blanke volkeren in Latijns Amerika en bepaalde niet-Christelijke volkeren op de Balkan worden beschouwd als ‘Westers’. Een objectieve standaard van ‘Westerse identiteit’ is aldus de ‘Vrijwillige 2:1 Standaard’, die uitgaat van de drie eerder genoemde criteria van etniciteit (fenotype, godsdienst, taal): als de meerderheid van een bepaald volk valt onder twee van deze drie criteria kan het als ‘Westers’ worden aangemerkt, mits het zichzelf expliciet als zodanig wenst te identificeren. In dit verband moet worden gezegd dat het vrijwillige karakter van de Westerse identiteit cruciaal is omdat de authenticiteit van die identiteit hangt af van een combinatie van innerlijke beleving (een innerlijk bewustzijn van Westerse identiteit) en uiterlijke assimilatie (een besef van gedeelde lotsbestemming met andere Westerse volkeren). Dit vrijwillige aspect spiegelt het kernmechanisme van Etnische Roeping, namelijk de immanente effectuering van een transcendent gedefinieerde wilsuiting.

Een paar voorbeelden kunnen het nut van de Vrijwillige 2:1 Standaard illustreren. Zo zijn, gemeten aan deze standaard, zowel de Finno-Oegrische volkeren van Finland, Estland en Hongarije als de Moslim volkeren van Bosnië en Albanië historisch, welbewust en naar intentie voldoende ingebed in de Westerse beschaving om als Westers te worden aangemerkt. Anderzijds zijn de Israëlieten en de Roma, gemeten aan dezelfde standaard, geen Westerse volkeren, ondanks aanzienlijke overlappingen (fenotype en taal in geval van de meeste Israëlieten, godsdienst en taal in geval van de Roma), simpelweg omdat zij zichzelf niet als zodanig wensen te identificeren: deze volkeren hebben specifieke rechten door langdurig verblijf, maar blijven op eigen verzoek feitelijk ‘gasten’.

Het is tenslotte van essentieel belang om te benadrukken dat een consequente toepassing van de Vrijwillige 2:1 Standaard tot uiterste voorzichtigheid maant ten aanzien van de eigenlijke ‘Westerse’ identiteit van vele hedendaagse ‘Westerlingen’. Onder het Postmoderne Cultuur-Nihilisme verwerpen vele ‘Westerlingen’ namelijk uitdrukkelijk hun eigen historische identiteit: zij keren zich op woedende wijze tegen alle vormen van zelfidentificatie die geassocieerd kunnen worden met historisch ras, historische godsdienst en historische taal. Zij streven opzettelijk naar een deconstructie van fenotype door obligate ‘kleurenblindheid’, een deconstructie van godsdienst door militant atheïsme en een deconstructie van taal door verplicht kosmopolitanisme. Dit heeft al geresulteerd in grootschalige métissage, publiek-dominante laïcité en versnelde créolisation in het Europese hartland van de Westerse beschaving. Het Traditionele ideaal van het Kaukasische fenotype leeft momenteel sterker buiten het Westen dan in het Westen zelf: de Iraanse en Indische volkeren zijn meer begaan met fenotypisch erfgoed (‘Arische afstamming’, ‘kaste puurheid’) dan hun in veel ‘puurder’ vorm bewaarde Kaukasische ‘stamgenoten’ in het Westen. Op dezelfde wijze leeft het Traditionele ideaal van Christelijke spiritualiteit momenteel veel sterker in kerken van het Oosterse Christendom dan in die van het Westerse Christendom: de Orthodoxe en Monofysietische Kerken beleven momenteel grote oplevingen, terwijl de Katholieke en Protestantse Kerken het stadium van terminale aftakeling hebben bereikt. De specifieke Postmoderne fenomenen van politieke, sociaaleconomische en culturele ‘globalisering’, zoals de neo-kalergiaanse ‘Eurocratie’, de neo-liberale ‘open grenzen’ en de ‘geïnternationaliseerde’ academia, kunnen worden beschouwd als belangrijke graadmeters van de mate waarin de systematische verwerping van historische Westerse identiteit door hedendaagse ‘Westerlingen’ is doorgeslagen in geïnstitutionaliseerde ‘oikofobie’. Vanuit Traditionalistisch perspectief zijn de collectieve identiteiten van de niet-Westerse ‘migranten’ die momenteel bezig zijn het Westerse hartland te koloniseren -sociaal-cultureel primitieve, maar demografisch succesvolle populaties – veel authentieker dan de geïmproviseerde hyper-individuele wegwerp ‘identiteiten’ van deze ‘gedeconstrueerde’ ex-Westerlingen.

Zoals eerder gezegd: het is nu aan de nieuwe génération identitaire van het Postmoderne Westen om deze etnische ‘deconstructie’ terug te draaien en om haar door de baby boomers verkwanselde legitieme erfdeel op te eisen door een herovering van Etnische Identiteit. In de Europese context is het daarbij een simplistische ‘raciale’ en ‘etno-nationalistische’ agenda volstrekt onvoldoende. Zulke agenda’s mogen relevantie hebben voor de andersoortige etnische problematiek van het overzeese Westen, zoals Amerika en Zuid-Afrika, maar ze schieten tekort in de context van het Europese meta-politieke discours en de Europese identitaire politiek. Voor de Europese identitaire beweging kunnen rassenbewustzijn en etno-nationalistische zelfverdediging hooguit uiterste noodstrategieën zijn. Voordat de Europese volkeren gedwongen zijn hun toevlucht te nemen tot dergelijke laatste wanhoopspogingen zal de herbevestiging van hun gespecialiseerde Etnische Roepingen en het in stand houden hun eigen specifieke historische identiteiten – prioriteit moeten hebben. Dat gezegd hebbend, is het belangrijk te benadrukken dat de gemeenschappelijke identiteitselementen van de Europese volkeren hen een goede reden geeft om een pragmatische alliantie aan te gaan tegen hun gemeenschappelijke vijand: de transnationale Cultuur Nihistische hostile elite van het Westen. Het grote gevaar van etnische vervanging dat nu uitgaat van deze hostile elite vergt een maximale mate van inter-nationale samenwerking en coördinatie.

Op politiek vlak kan een weldoordachte strategie tegen dit gevaar de vorm aannemen van een confederatieve liga, dat wil zeggen een pragmatische alliantie dat de volle soevereiniteit van elke staat en elk volk intact laat maar een tijdelijke bundeling van krachten toelaat tegen de gemeenschappelijke vijand. Hierbij verwijst de oude Poolse en Russische revolutionaire slagzin ‘voor onze vrijheid en de uwe’ naar historisch precedenten voor het handhaven van afzonderlijke identiteiten gedurende een gemeenschappelijk gevoerde strijd. Op meta-politiek vlak kan een bijpassende zin van lotsverbondenheid worden gevonden in het Traditionalistische concept van meta-historische lotsbestemming. Traditionalistische autoriteiten zoals Julius Evola stellen dat de collectieve lotsbestemming van de Westerse volkeren wordt bepaald door een gedeelde geprivilegieerde (bovenmenselijke, ‘Hyperboreale’) oorsprong en (adellijke, ‘Arische’) afstamming. Dit meta-historische visioen vindt een wetenschappelijke spiegeling in telkens terugkerend onderzoek naar gedeelde taalkundige wortels (Anquetil Duperron), gedeelde sociale structuren (George Dumézil) en gedeelde wereldbeelden (Max Müller). In Europa werd het onderzoek naar de oorsprong, identiteit en bestemming van de Indo-Europese volkeren in sterke mate negatief beïnvloed door de Nationaal Socialistisch misbruik van het kernbegrip ‘Arisch’. In Azië gaat dit onderzoek, dat zijn voortstuwende kracht grotendeels ontleend aan het werk van Bal Gangadhar Tilak, echter ongestoord verder. Europese onderzoekers hebben recentelijk het politiek correcte taboe op etniciteit en oorsprong als legitieme onderwerpen van wetenschappelijke studie afgeworpen, maar het zal een hele nieuwe generatie denkers, wetenschappers en kunstenaars vergen voordat deze onderwerpen volledig zijn gere-integreerd in de Westerse filosofie, wetenschap en literatuur. Maar de huidige Westerse génération identitaire hoeft niet te wachten voor die verre toekomst: etnische identiteit is veel meer dan alleen een intellectuel exercitie – het is een belevingsrealiteit die onmiddelijk kan worden terugveroverd door simpelweg haar simpelweg te her-leven.

Hogere Roeping

Want Mijn gedachten zijn niet ulieder gedachten,
en uw wegen zijn niet Mijn wegen, spreekt de Heere.
Want gelijk de hemelen hoger zijn dan de aarde,
alzo zijn Mijn wegen hoger dan uw wegen,
en Mijn gedachten dan ulieder gedachten.

– Jesaja 55:8-9

Het Traditionalistische concept van meta-historische lotsbestemming kan verder worden gevolgd dan de specifieke trajecten van specifieke volkeren (hun Etnische Roepingen): groepen volkeren kunnen ook een historisch bepaalde belevingsrealiteit delen van een hogere orde – een gedeelde ‘Hogere Roeping’. Aldus laat de Moderne geschiedenis zien dat Westerse volkeren als collectief een ‘Hogere Roeping’ delen. Abstract gesproken is deze ‘Hogere Roeping’ niets minder dan die van Katechon van de Wereld: de gemeenschappelijke lotsbestemming van de Westerse volkeren is die van de beschermers, wetgevers, onderwijzers en weldoeners van de Zuidelijke en Oostelijke volkeren. Collectief zijn zij: Brenger van Evangelion, Schepper van de Nomos en Meester van de Techne. Deze Hogere Roeping gaat uiteindelijk het menselijk verstand te boven – uiteindelijk is zij bovenmenselijk. Maar zelfs de geringste kennis van de wereldgeschiedenis en zelfs het meest rudimentaire begrip van de hedendaagse wereld illustreren deze Hogere Roeping in haar tastbare realiteit. Alleen de blijvende trouw van de Westerse volkeren aan hun Hogere Roeping kan de andere volkeren van de wereld in staat stellen blijvend te profiteren van de verworvenheden van de Westerse beschaving: spirituele vrijheid, visionaire wetenschap, wereldse rechtvaardigheid, bevrijdende technologie en pijnverzachtende geneeskunst. De specifieke Etnische Roeping van elk specifiek Westers volk kan worden begrepen als een gedeeltelijke en gespecialiseerde – historisch en geografisch geconditioneerd – weerspiegeling van deze gemeenschappelijke Hogere Roeping.

Omdat elk Westers volk – hoe klein dan ook – zijn eigen rol heeft – hoe bescheiden dan ook – binnen deze Hogere Roeping, zal de schrijver zich beperken tot een bespreking van de specifieke Etnische Roeping van zijn eigen kleine volk: het Nederlandse volk. Wellicht kunnen andere volkeren profiteren van een bespreking van het noodlot van het Nederlandse volk onder het Cultuur-Nihilisme, want dit zich snel voltrekkende noodlot bevat waardevolle lessen voor een begrip van het lot de Westerse volkeren als geheel. Het Nederlandse volkeren is ongetwijfeld één van de meest moderne volkeren onder de Westerse volkeren – het werd gevormd door de Vroeg-Moderne processen van het Vroege Kapitalisme, de Ontdekkingsreizen, het Post-Renaissance Humanisme en de Radicale Reformatie. Sinds het zijn staatkundige onafhankelijkheid bevocht heeft Nederland altijd zijn bij uitstek ‘vooruitstrevend’ cultuur-geschiedkundig karakter behouden, zoals zichtbaar in zijn pioniersrol in hyper-kapitalistische experimenten, technologische innovaties en extreem hyper-secularisme. Zo bezien is Nederland een intrinsiek deel van de avant garde van de Moderniteit, samen met typische ‘Protestantse Ethiek’ landen zoals Zwitserland, Groot-Brittannië en Amerika. Aldus kan Nederland worden gezien als een cultuur-historisch ‘experiment’ dat een voorafspiegeling biedt van wat de toekomst kan zijn van de rest van de Westerse beschaving.

Eerder beschreef de auteur dit cultuur-historisch ‘experiment’ – het Postmoderne ‘noodgeval Nederland’ als een ‘les van de geschiedenis’ (Wolfheze, Alba Rosa, Hoofdstuk 1) – in dit opstel zal de specifieke Etnische Roeping van Nederland onderzoeken als de noodzakelijke achtergrond van die les. Omdat binnen dit korte bestek een volwaardig cultuur-historisch overzicht onmogelijk is, zal dit opstel zich verder bepalen tot het belangrijkste element van de Etnische Roeping van Nederland: het Radicale Protestantisme. Het zal niet alleen laten zien hoe dit specifieke element de noodzakelijke achtergrond van de Crisis van het Moderne Nederland is, maar ook een correct begrip kan bijdragen aan het overwinnen van die crisis. Omdat het Radicale Protestantisme een sleutelrol toekomt binnen de Westerse Moderniteit als geheel kan deze ook analyse waardevol zijn bij de internationale identitaire zoektocht naar meta-politieke formules die de Crisis van het Moderne Westen kunnen bezweren.

ΤὸΚατέχον

En nu, wat hem wederhoudt, weet gij, opdat hij geopenbaard worde te zijner eigen tijd. Want de verborgenheid der ongerechtigheid wordt alrede gewrocht; alleenlijk, Die hem nu wederhoudt, Die zal hem wederhouden, totdat hij uit het midden zal weggedaan worden. En alsdan zal de ongerechtige geopenbaard worden, denwelken de Heere verdoen zal door den Geest Zijns monds, en te niet maken door de verschijning Zijner toekomst. – 2 Thessalonicenzen 2:6-8

De Engelstalige en voor internationaal publiek bedoelde basisversie van dit opstel werd oorspronkelijk geschreven in het kader van een Russisch onderzoeksproject genaamd Katehon – elke taalkundig ingewijde Bijbel student weet waarnaar deze bijzondere term verwijst. Omdat de Schrift echter steeds minder wordt gelezen, wordt deze paragraaf ingeleid door de oude vertaling van de relevante verzen. Dit inleidend Woord drukt tegelijk het kernbegrip uit van dit opstel. Het is belangrijk deze intentie expliciet uit te spreken tegenover hen die nog Christen willen zijn in een nieuw-heidens land.

De resterende Christenen binnen dit Godverloochenend volk moeten weten dat zij niet alleen zijn: ook buiten hun Vervolgde Kerk, ook buiten hun Behouden Huys, zijn er nog mensen die niet zijn afgevallen. Wellicht voelen ook die overgebleven getrouwen, dwalend in de nieuwe geestelijke woestijn van dit land, soms de woorden na van de profeet uit Tisbiet – Het is genoeg; neem nu, Heere, mijn ziel, want ik ben niet beter dan mijn vaderen (1 Koningen 19:4). Maar die getrouwen moeten weten dat zij niet alleen zijn – dat er nog anderen zijn, onzichtbaar en verborgen. Achtentwintig eeuwen geleden werd de zwaar beproefde profeet bewogen terug te keren naar de plaats waar de in zijn tijd vergeten en verguisde Wet ooit eerst was gegeven, denkend dat hij de enig overgebleven getrouwe was. Zijn eenzame queeste resulteert echter niet in een berustend terugnemen van de Wet door de Wetgever, maar in een opdracht die de Wet zal doen wederkeren in het Verbondsvolk. Zijn gezicht eerbiedig met zijn mantel bedekkend hoort de profeet een verbijsterende boodschap: Ook heb Ik in Israël doen overblijven zeven duizend, alle knieën, die zich niet gebogen hebben voor Baäl, en allen mond, die hem niet gekust heeft (1 Koningen 19:18).

Het Nederlandse volk kan zich spiegelen in deze oude geschiedenis: nog is de Katechon niet weggedaan, nog staat de Wet vast en nog zijn zich velen van de Nederlandse Roeping bewust. Ondanks de heidense realiteit, voorgespiegeld als ‘vooruitstrevende’ actualiteit door de ‘politiekcorrecte’ publiciteit, zijn er velen die niet de knie hebben gebogen voor het afgodsbeeld van het nihilistisch secularisme en die niet de voeten hebben gekust van gouden kalf van het materialistisch hedonisme. Degenen die hun stem verheffen tegen het pseudochristelijk verpakte neo-liberale slopersregime in Den Haag worden in politiekcorrecte ‘systeempers’ afgedaan als primitieve ‘populisten’. Degenen die hun denken inzetten tegen de cultuurmarxistische consensus in het academisch-intellectuele establishment worden in het geënsceneerde ‘publieke debat’ weggezet als marginale ‘haatzaaiers’. Maar al degenen die hun eerlijk en bescheiden werk wijden aan het behoud van het ernstig bedreigde erfgoed van hun voorvaders – authentieke leer, authentieke kennis, authentieke identiteit – verdienen erkenning van hun inzet en respect voor hun moed. Het zijn hun ongebogen houding en hun eerlijke getuigenis die helpen een overblijfsel van dat erfgoed beschermen (Daniel 3). Velen van hen bevinden zich buiten de Kerk – ongevraagd en onschuldig want noch familie, noch leraren hebben hen iets geleerd. Het strekt de resterende authentiek-Christelijke kerken tot eer dat zij omzichtigheid betrachten in politiek engagement en dat zij zichzelf diverse gradaties van quarantaine opleggen ten opzichte van hetgeen in de wereld is (1 Johannes 2:15). Dit mag echter niet doorslaan in roekeloze wereldvreemdheid: deze kerken doen er goed aan zich rekenschap te geven van het feit dat ook nu nog buiten hun muren velen knieval en lippendienst weigeren aan letterlijk vreemde afgoden – velen die hun ondersteuning verdienen. De van buiten opgelegde afgodendiensten van ‘globaliserend’ neo-liberalisme, ‘pan-Europees’ anti-nationalisme en nihilistisch ‘cultuur-relativisme’ worden ook buiten deze kerken nog door velen van binnen als wezensvreemd ervaren. Waar Bijbelkennis en geloofszekerheid ontbreken, daar dienen filosofie en ideologie als wapens tegen deze afgodendiensten. Voor zover zulke filosofieën en ideologieën niet ingaan tegen authentieke Bijbelkennis en geloofsbeleving, doen de kerken er goed aan systeemkritische buitenkerkelijke discoursn met een open oog te bestuderen.

Het is essentieel dat alle bezorgde Nederlanders van goede wil zich aaneensluiten en zich samen beraden op het zich aandienende dieptepunt van de Crisis van het Moderne Nederland. Het is belangrijk dat kerkelijke Nederlanders vanuit deze hoek naar niet-kerkelijke medestanders kijken. Er is geen reden aanstoot nemen aan wellicht op het eerste gezicht ‘heidense’ terminologie als achterliggende analyse en intentie objectief stroken met de normen en waarden van de Kerk – dat wil zeggen: als zij objectief de eeuwige Waarheid modern vertalen en nastreven. De Katechon is meer dan de Kerk alleen: hij kan zijn in iedereen die die Waarheid oprecht zoekt, hoort en kent – De wind blaast, waarheen hij wil, en gij hoort zijn geluid; maar gij weet niet, van waar hij komt, en waar hij heen gaat; alzo is een iegelijk, die uit den Geest geboren is (Johannes 3:8). Voor alle bezorgde Nederlanders van goede wil geldt nu: oprechte leergierigheid en grondige herbezinning zijn absolute voorwaarden om de Crisis van het Moderne Nederland te doorleven – en te overleven.

Dit opstel wil bijdragen aan deze herbezinning en het vraagt kerkelijke Nederlanders kennis te nemen van één specifiek buitenkerkelijk systeemkritisch discours: het Traditionalistisch discours. In termen van dit discours – de Traditionalistische epistemologie en hermeneutiek – gelden de authentiek-Christelijke kerken als behorend tot een waarachtige Traditie. Vanuit Traditionalistisch perspectief telt de moderne wereld nog steeds meerdere authentieke Tradities – de vijf grote wereldgodsdiensten bovenal – maar deze Tradities, nu alle in minder of meerdere mate onderhevig aan historische ‘slijtage’ en uitwissing door de Moderniteit, zijn niet willekeurig uitwisselbaar. Gods Schepping wordt gekenmerkt door een grote rijkdom aan fysieke variëteit – variëteit in klimaat, bodemgesteldheid, flora, fauna, mensdom – en het menselijk begrip van God en Schepping wisselt overeenkomstig deze variëteit. In ieder menselijk collectief (volk, stam, geslacht) en in ieder menselijk individu (man, vrouw, jong, oud, rijk, arm) komt dit begrip tot een specifieke uitdrukking, overeenkomstig deze rijk geschakeerde variëteit. Vanuit Traditionalistisch perspectief zijn daarom de Nederlandse geloofsbeleving en het Nederlands geloofsleven een kostbare erfenis: zij representeren speciaal – en uniek – aan dit land en dit volk ‘aangepaste’ en ‘toegepaste’ uitdrukkingen van Gods Meesterplan. Tegen die achtergrond kan het Nederlandse Protestantisme worden begrepen als een historisch noodzakelijk archetype: het de essentieel Nederlandse uitdrukking van waarachtige Traditie. De Protestantse kerken – voor zover zij zich nog authentiek-Christelijk mogen noemen – dienen zich daarom terdege bewust te zijn van hun hoge verantwoordelijkheid als executeur-testamentair van de Christelijke Traditie voor hun volk. Hierbij dienen zij, om met eigentijdse formule te spreken, ‘hun verantwoordelijkheid te nemen’. Hun verantwoordelijkheid is niets minder dan als Katechon van land en volk op te treden – en de Katechon hanteert niet alleen het schild, maar ook het zwaard.

In de Traditionalistische symboliek kan elke waarachtige Traditie worden voorgesteld als ‘Zwaard van Kennis’. Dit beeld komt overeen met het eerste gezicht van het laatste Bijbel boek: uit Zijn mond ging een tweesnijdend scherp zwaard (Openbaring 1:16). Het is vanuit deze visie dat dit opstel de authentiek-Christelijke kerken wil oproepen tot een fundamentele herbezinning op hun rol in het opdoemende Nederlandse Ernstfall – de Crisis van het Moderne Nederland. Het is deze levensbedreigende crisis die scherpe woorden rechtvaardigt: het Zwaard van de Kennis kan niet anders dan scherp zijn.

De Roeping van Nederland

Gij zijt het zout der aarde;
indien nu het zout smakeloos wordt, waarmede zal het gezouten worden?

– Mattheüs 5:13

Om de historische achtergrond van de Crisis van het Moderne Nederland werkelijk te doorgronden is het nodig terug te kijken op de oorspronkelijke immateriële wortels van de Nederlandse nationale identiteit. In Traditionalistische terminologie betreft dit de transcendente referentie van het immanente fenomeen ‘Nederland’ – in religieuze terminologie betreft dit de Roeping van Nederland. Een dergelijke ‘terugblik’ betekent onvermijdelijk een herbezinning op een motief dat haaks staan op de Moderniteit: een herbezinning op het Christelijk erfgoed. Vanuit Traditionalistisch perspectief is het Christendom slechts één onder meerdere authentieke religieuze Tradities – er zijn voorts meerdere (min of meer) authentieke vormen van Christendom. Dit ‘relatief relativerend’ perspectief doet niets af aan de intrinsieke waarde van iedere authentieke religieuze Traditie: dit perspectief is een hermeneutisch instrument en laat religieuze identiteit als zodanig onverlet. Zoals eerder gezegd: authentieke Tradities zijn nooit willekeurig uitwisselbaar. Het kenvermogen en de ervaringscapaciteit van de mens, collectief en individueel, mogen specifieke vormen van identiteit overstijgen, maar zij heffen identiteit nooit op. De historische identiteit van Nederland is onlosmakelijk verbonden met het Christendom: de oorspronkelijke Roeping van het Nederlandse volk als collectief valt en staat daarom met zijn Christelijke identiteit, ongeacht de verschillende rollen van individuen binnen dat collectief. De Christelijke Traditie benadrukt de rol van afzonderlijke etnische identiteiten tot het einde van de heilsgeschiedenis: er staat geschreven dat de engel de duivel in de afgrond zal werpen opdat hij de volkeren niet meer zou verleiden tot het einde van het Duizend Jarige Rijk (Openbaring 20:3). Hieruit volgt dat – binnen de aardse realiteit – beraad op volks identiteit een essentiële opgave blijft voor Christenen, collectief en individueel. Een voorbarige, ideologisch gemotiveerde afkondiging van de universele gemeenschap broederschap van alle volkeren – een essentieel ‘geloofsartikel’ van de seculair nihilistische Moderniteit zoals onder meer vervat in het Socialisme en Liberalisme – is niet alleen in strijd met elk rationeel politiek beleid, maar ook met elke authentieke Christelijke geloofsbeleving.

Ongeacht de diepe inwerking van de anti-Christelijke Moderniteit, blijft de specifieke Roeping van het Nederlandse volk als collectief onverminderd Christelijk. Onder deze Christelijke identiteit liggen weliswaar de duidelijk bespeurbare substraat identiteiten van Indo-Europese etniciteit en natuuraanbiddende spiritualiteit, maar die substraat identiteiten zijn niet meer specifiek Nederlands: zij zijn hooguit te specificeren als ‘Germaans’ en ‘ex-heidens’ en worden als zodanig noodzakelijkerwijs gedeeld met andere ‘Germaanse’ en ‘ex-heidense’ volkeren. Terugval op die substraat identiteiten zou een atavistische regressie naar een pre-Nederlandse ‘oertijd’ betekenen – een fenomeen dat even zichtbaar werd gedurende de Nazi-Duitse bezetting, toen de specifiek Nederlandse en Christelijke identiteit werden weggekrast. Dat het Nederlandse volk twee broeders heeft – het Vlaamse volk en het Afrikaner volk – betekent niet dat het niet ook zijn eigen unieke Roeping kan hebben. Specifiek is de Roeping van het Nederlandse volk onlosmakelijk verweven met het 16e eeuwse Radicaal Protestantse visioen van een nieuw Uitverkoren Volk, door de geschiedenis gelouterd, toegewijd aan zuivere aanbidding en door de Voorzienigheid beschut in een nieuwe heilstaat. De voorafgaande Devotio Moderna, met haar idealen van innerlijke purificatie en persoonlijke Navolging van Christus, kan worden gezien als een noodzakelijke voorafspiegeling van dit Protestantse visioen. De Reformatie kan in die zin nooit de historische continuïteit opheffen van de Christelijke Traditie: er kan slechts één echte Kerk bestaan – ook wanneer de gelovigen twisten over de wereldse reflectie daarvan. Vanuit Traditionalistisch perspectief is veel ‘aan te merken’ op de historische rol en uitwerking van het Protestantse Reformatie: de thesen van Weber’s Die protestantische Ethik und der Geist des Kapitalismus (1905) zijn slechts een flauwe wetenschappelijke afspiegeling van de meer fundamentele kritiek van de Traditionele School. Waar tekstkritische benadering van de Schrift doorschiet in seculaire ‘deconstructie’, waar wereldse heiliging doorschiet in hedonistisch materialisme en waar persoonlijke heilsbevinding doorschiet in narcistisch individualisme, daar is het Protestantisme het bevriezende water dat de Rots van Sint Pieter splijt. Maar het is niet het water dat het probleem is: het Protestantisme is slechts het ultieme distillaat van de Christelijke Bron en de Wintertijd van de Moderniteit bepaalt zijn werking.

De unieke 16e eeuwse Res Publica Christiana tussen Eems en Schelde, zichzelf ervarend als miraculeus herwonnen op de krachten van duisternis en tirannie, wordt ten diepste bewogen door het Protestantse visioen. Vanuit Traditionalistisch perspectief is belangrijk aan te tekenen dat het Protestantisme, ondanks zijn onlosmakelijke associatie met de Moderniteit ook de historisch laatste herleving vertegenwoordigt van de oude Christelijke Traditie: het is een uiterste, ultieme poging om de Christelijke heilsboodschap te verwezenlijken in de stroomversnelling van de Moderniteit. Vanuit meta-historisch perspectief vertegenwoordigt het een sublieme poging om alsnog een stad boven op een berg liggende (Mattheüs 5:14) te realiseren, na het verlies van oude instituties, oude gemeenschapsvormen en oude zekerheden. Het is een iconoclastische ‘vlucht naar voren’ – de Moderniteit in – en tegelijk een puristisch terugvallen op de kernbeleving van de Christelijke Traditie: loutering en wederopstanding. In die zin is het Nederlandse volk een essentieel modern volk – het ontstond op de drempel van de Moderniteit en het wordt gekenmerkt door een vroege en radicale inlijving van de Moderniteit in ‘geestelijke’ zin. Het historisch extremisme van die inlijving valt af te leiden uit de ‘keus’ voor de meest radicale vorm van het Protestantisme – het Calvinisme. Het collectief archetype van het Nederlandse volk is daarmee voor eens en altijd onuitwisbaar bepaald. Het vermogen van het Nederlandse volk om zich aan te passen aan de Moderniteit is daarom zeer groot – het ervaart zichzelf als modern en is in staat de Moderniteit te ‘doorleven’ – niet slechts te ‘ondergaan’. Dit heeft ‘voordelen’ en ‘nadelen’. Deze kenmerkende ‘voordelen’ en ‘nadelen’ deelt het Nederlandse volk tot op grote hoogte met andere Radicaal Protestantse volkeren: vooral met de mede-‘thalassocratische’ Angelsaksische volkeren kan tot bepaalde hoogte van een historische lotsverbondenheid worden gesproken. Een evident voordeel is een groot sociaaleconomisch aanpassingsvermogen, resulterend in sociale flexibiliteit en economische welvaart. Een evident nadeel is een permanente cultuur-historische instabiliteit, resulterend in lage sociale cohesie en zwak ethisch besef. Deze specifieke combinatie laat het Nederlandse volk veel anarchie, veel kapitalisme en veel Darwinisme verdragen, maar maakt het tegelijk verhoogd kwetsbaar voor de moderne plagen van politieke hyper-democratie, sociaal hyper-individualisme en Cultuur Nihilist secularisme.

Er zijn echter grenzen aan het Nederlandse aanpassingsvermogen ten opzichte van de Moderniteit – simpelweg omdat er grenzen zijn aan de rekbaarheid van de Nederlandse Roeping en aan de maakbaarheid van de Nederlandse maatschappij. Over die grenzen heen vervaagt die Roeping en verdwijnt die maatschappij. Een herbezinning op de premoderne wortels van Nederland en een heroverweging van zijn Christelijk erfgoed zijn essentieel voor het in kaart brengen van die grenzen. Deze herbezinning en heroverweging voeren terug naar de tegelijk oud-Christelijke en klassiek-Protestantse idealen van aardse heiliging, sociaal-ethische transparantie en bovenpersoonlijk arbeidsethos. De Nederlandse Roeping drukt deze idealen uit in een aantal extreem hooggestileerde vormen. In het fysieke landschap is er een heroïsche poging tot bijna-herstel van het aardse paradijs door onophoudelijke, zelfwegcijferende arbeid: dit is zichtbaar in een magisch landschap van rechtgetrokken wateren, symmetrisch gerangschikte toverbloemen en gemillimeterde pronktuintjes. In het psychisch landschap is er een bijna bovenmenselijke poging tot een collectieve zelfverloochende Navolging van Christus door de systematische cultivatie van gewetensexercities en gedragsnormen: uiteindelijk hoeft de huisdeur niet meer op slot en keert een verloren portefeuille gevuld bij de eigenaar terug. In het persoonlijke landschap is er een verinnerlijking van arbeidsethiek – bijna tot in de zelfopheffing van Adam’s zondestraf: de kloostergelofte is bijna volledig geïnternaliseerd (spaarzaamheid, zwijgzaamheid, goede doelen, vrijwilligerswerk) en het Godbewustzijn is bijna volledig gesublimeerd (wetenschappelijke objectiviteit, artistieke contemplatie, spirituele stilte).

Tot ver in de 20e eeuw kweekt het Nederlandse volk zichzelf omhoog in overeenstemming met deze Roeping – totdat met de Tweede Wereld Oorlog de Moderniteit het land overspoelt: dit is het punt dat de Moderniteit de Nederlandse Roeping inhaalt. De Moderniteit tast de Nederlandse volksziel vervolgens aan door uitbuiting van twee potentiële zwakten die onvermijdelijk samengaan met haar twee kenmerkende hyper-Christelijke eigenschappen. Zelfverloochening en verinnerlijking, niet langer gericht in Christelijk-anagogische richting, slaan om in zinsledige zelfkastijding en slaafse gedienstigheid. Deze uitwassen zijn potentieel aanwezig in alle Christelijke Europese volkeren, maar in verhoogde mate in de Protestantse volkeren omdat daar de autoriteit van de Traditionele Katechon instituties (Monarchie, Kerk, Adel, Academie) per definitie zwakker is. Het zijn deze beide potentiële gebreken in de volksziel die het Nederlandse volk per uitstek kwetsbaar voor de meest extreme strategie van de Cultuur-Nihilistische hostile elite, namelijk etnische vervanging – de vervanging van het Nederlandse volk door gestage maar gewisse massa-immigratie. Dit is de achtergrond van het pervers sadomasochistisch fatalisme en de pervers serviele dienstbaarheid waarmee de inheemse Nederlandse bevolking als geheel reageert op effectieve kolonisatie in eigen land. Pas begrepen als hyper-Christelijke en post-Christelijke perversie van de Roeping van Nederland, kan deze collectieve psychopathie effectief worden bestreden. In een herbezinning op de authentieke Roeping van Nederland als diep-Christelijk volk en in een heroverweging van de authentieke Christelijke leer ligt de oplossing besloten van het Nederlandse ‘vreemdelingen vraagstuk’.

Ger Tsedek & Ger Toshav

Doch Hij antwoordde en zeide:
Het is niet betamelijk het brood der kinderen te nemen,
en den hondekens voor te werpen.

– Mattheüs 15:26

Het was Professor Fortuyn die het Nederlandse ‘vreemdelingen vraagstuk’ met stip bovenaan de Nederlandse politieke agenda zette. Eerdere pogingen (Centrumpartij, Centrum Democraten) om ‘immigratie’ en ‘integratie’ eerlijk te bespreken werden onbarmhartig de kop ingedrukt door infiltrerende agents provocateurs, heksenjagende kartel journalisten en gewelddadige ‘antifa’ activisten. Professor Fortuyn heeft voor zijn heldhaftige vaderlandsliefde met zijn leven betaald: het Nederlandse volk erkende dit offer door hem, na de Vader des Vaderlands, als tweede grootste Nederlander aller tijden te eren. De na hem komende denkers van Nederland zijn het aan zijn herinnering verplicht om aan zijn ideeën en werk nu zoveel toe te voegen, dat het Nederlandse vreemdelingen vraagstuk op verstandige wijze – en vooral op tijd – wordt opgelost. Zijn hele leven worstelde Professor Fortuyn als modern mens met moderne problemen, publiekelijk en persoonlijk – maar hij was geen heiden: zijn Godsvertrouwen spreekt zelfs uit zijn meest ‘aardse’ schrijfsels. Terecht zag hij de Kerk als een falend instituut – hij probeerde op eigen wijze seculier in te grijpen waar de Kerk het liet afweten. Een van de belangrijkste manieren waarop de Nederlandse Kerk – hier abstract gedefinieerd als het Nederlandse overblijfsel van het authentieke Christendom – het dramatisch heeft laten afweten is in haar onvermogen het Nederlandse volk te leiden en te onderwijzen in omgang met vreemdelingen, buiten en binnen de grenzen van het Koninkrijk.

Dit onvermogen ligt in de moderne leraren – niet in de traditionele Leer. De moderne leraren hebben de leerstukken van Christelijke caritas en humanitas opgerekt tot in voortijdige universele absurditeit: ze hebben daarmee een pathologisch altruïsme gevoed dat de verloochening van de Roeping van Nederland heeft veroorzaakt. Ze hebben de morele autoriteit en de materiële middelen van de Kerk afgewend van eigen volk en eigen land: ze hebben decennia lang een ‘open grenzen’ beleid ondersteund dat eigen volk en eigen land in fundamentele identiteit en fundamenteel belang schaadt. Ze hebben gefaald onderscheid te maken tussen eigen volk en vreemdeling: ze hebben de beschermplicht van de Katechon verzaakt. Ze hebben een onverdiend en ongeoorloofd voorschot genomen op het grenzeloze en universele Koninkrijk der Hemelen dat alleen God mag afkondigen. Zij zijn hun eigen bescheiden wereldse competentie – gezag over eigen volk en eigen land – ver te buiten gegaan. Ze hebben de grove zonde van superbia begaan en ze hebben nog steeds niet de moed tot penitentia. Ze hebben niet begrepen dat de baʻal tesjoevah – de ‘meester van het berouw’ – in de Hemel hoger staat aangeschreven dan zei die altijd vroom zijn gebleven. En toch staat er zo duidelijk geschreven: Ik zeg ulieden, dat er alzo blijdschap zal zijn in den hemel over een zondaar, die zich bekeert, meer dan over negen en negentig rechtvaardigen, die de bekering niet van node hebben (Lukas 15:7).

Het is aan Traditiegetrouwe theologen en autoriteiten om de Kerk van binnenuit te reinigen van het kwaad van de Moderniteit – niemand van buiten de Kerk is gemachtigd hen te beleren. Wat echter wel van buiten mag worden ingebracht is de boodschap van urgentie – en de waarschuwing dat de grenzen van toelaatbaar menselijk tekortschieten zijn bereikt. Wanneer de Kerk de grens tussen laakbaar tekortschieten en koppige onredelijkheid overschrijdt door nog langer vast te houden aan goedpraten van massa-immigratie en het gedogen van illegaliteit, dan wordt zij uiteindelijk medeplichtig aan het destructieve beleid van de antinationale elite – dan wordt zij deel van die elite.

Volks-wording en volks-roeping staan en vallen met een coherent dubbele fysieke en psychische identiteit. Deze realiteit wordt nergens beter geïllustreerd dan in het oude Verbondsvolk: het Volk van Israël heeft zijn identiteit langer bewaard dan alle andere historische volkeren en de verklaring daarvan ligt in zijn vasthouden aan de verbondsartikelen met betrekking tot vreemdelingen. De geestelijk leiders van het Nederlandse volk zouden er goed aan doen te leren van de verbondsartikelen die het Volk van Israël millennia lang hebben beschermd en bewaard. Op het meest eenvoudige niveau betekent dat: begrip en toepassing van twee wettische concepten: de Ger Toshav, de ‘inwonende vreemdeling’, en de Ger Tsedek, de ‘gerechtvaardigde vreemdeling’. Het eerste begrip, historisch geassocieerd met het aanvaarden van bepaalde wetgeving door vreemdelingen met legaal verblijf in het Land Israël, kan ook in Nederland (en andere Westerse landen) worden toegepast op alle vreemdelingen die hier als vreemdeling langdurig legaal verblijf willen (blijven) houden. Het tweede begrip, historisch geassocieerd met het vrijwillig aanvaarden van de hele Wet van Israel (geestelijk gespiegeld in ‘bekering’), kan ook in Nederland worden toegepast op alle vreemdelingen die oprecht Nederlander willen worden. De Israëlitische halacha geeft een transcendent geïnspireerd wettisch model dat op onvermoede wijze kan bijdragen aan de oplossing van het ogenschijnlijk onoplosbare Nederlandse vreemdelingen vraagstuk.

Denkend vanuit de halacha zou een Nederlandse Ger Toshav het volgende kunnen zijn: een vreemdeling die verblijfsrecht en wetbescherming geniet zonder Nederlander te worden, met uitdrukkelijk vasthouden van de eigen identiteit – inclusief de eigen juridische nationaliteit. Het is belangrijk hier het verschil tussen juridische en authentieke (ofwel ‘natuurlijke’) nationaliteit te benadrukken: in het eerste geval gaat het om administratief staatsburgerschap en in het tweede geval gaat het om echte etniciteit. Echte etnische identiteit heeft twee complementaire componenten: (1) de identiteit die het individu zichzelf toeschrijft en (2) de identiteit die anderen hem toeschrijven. Authentieke identiteit vergt in de eerste plaats dat persoonlijk-ervaren en collectief-erkende identiteit elkaar overlappen. Authentieke identiteit vergt een hoge mate van historische continuïteit in collectieve zin: het vergt een daadwerkelijk of intentioneel gedeelde geschiedenis die uiteindelijk teruggaat op volks-wording en volks-roeping.

In die zin is de zogenaamde ‘Nederlandse nationaliteit’ van het overgrote deel van de ‘nieuwe Nederlanders’ – de immigranten die zich sinds de jaren zestig een Nederlands paspoort hebben toegeëigend – niet meer dan een juridische fictie: ze zijn feitelijk ‘namaak Nederlanders’. Deze juridische fictie – het persoonsrechterlijk equivalent van een ‘brievenbusfirma’ – mag de antinationale elite goed uitkomen (arbeidsreserve, consumentenmassa, stemvee), maar zij bergt tegelijk grote gevaren in zich. Deze juridische fictie stelt grote groepen opportunistische ‘migranten’ in staat de Nederlandse ruif leeg te eten en continu ‘van twee walletjes te eten’. Niet voor niets staat er geschreven: Geen knecht kan twee heren dienen, want hij zal de een haten en de ander liefhebben, ofwel de een aanhangen en de ander verachten (Lukas 16:13). Daarnaast demoraliseert deze juridische fictie ook de ‘oude’ Nederlanders. Zij zien dat willekeurige nieuwkomers met groot gemak de rechten en faciliteiten verkrijgen waar men zelf – en vele generaties voorouders – grote offers voor heeft moet brengen. Zij zien ook volledig onaangepaste ‘gasten’ zich brutaalweg het recht aanmeten mee te praten en mee te beslissen over het huis en bezit van de gastgevers. Bewust of onbewust tekent dit besef gedrag en gedachte van alle ‘oude’ Nederlanders: ze erkennen ‘nieuwe Nederlanders’ niet omdat ze zich niet in hen herkennen. Zij zullen zichzelf wel kunnen herkennen in de oude geschiedenis van het onderdrukte Verbondsvolk: En onze koningen, onze vorsten, onze priesters en onze vaders hebben Uw wet niet gedaan; en zij hebben niet geluisterd naar Uw geboden, en naar Uw getuigenissen, die Gij tegen hen betuigdet. Want zij hebben U niet gediend in hun koninkrijk, en in Uw menigvuldig goed, dat Gij hun gaaft, en in dat wijde en dat vette land, dat Gij voor hun aangezicht gegeven hadt; en zij hebben zich niet bekeerd van hun boze werken. Zie, wij zijn heden knechten; ja, het land, dat Gij onzen vaderen gegeven hebt, om de vrucht daarvan, en het goede daarvan te eten, zie, daarin zijn wij knechten. En het vermenigvuldigt zijn inkomste voor den koningen, die Gij over ons gesteld hebt, om onzer zonden wil; en zij heersen over onze lichamen en over onze beesten, naar hun welgevallen; alzo zijn wij in grote benauwdheid. (Nehemia 9:34-37).

Het is tegen deze achtergrond dat een veelbesproken fenomeen begrijpbaar wordt: de ‘verborgen discriminatie’ waarmee ‘nieuwe Nederlanders’ zich geconfronteerd weten – en de hardnekkige onwil van de ‘oude Nederlanders’. Dit fenomeen bewijst dat juridische ficties als ‘inburgering’ en ‘naturalisatie’ simpelweg geen vervanging kunnen zijn voor authentieke identiteit – ongeacht het obligaat politiekcorrecte discours van veronderstelde ‘universele gelijkheid’ van de gehele mensheid. In die zin zijn de ‘nieuwe Nederlanders’ evenzeer slachtoffer van de antinationale hostile elite als de ‘oude’ Nederlanders: hen wordt de zoete fopspeen van een utopische ‘gelijkheid’ voorgehouden, maar onwrikbare etnische identiteit blijft de bittere realiteit.

Een échte Nederlandse Ger Toshav, daarentegen, zou geen nieuwe, fictieve ‘Nederlandse’ nationaliteit krijgen – hij behoudt simpelweg zijn eigen, authentieke nationaliteit. Hij krijgt volledige soevereiniteit in eigen kring voor elke etnische groep, met eigen familierecht, eigen onderwijs, eigen zorg, eigen sociale zekerheid en eigen politieke zelfbestuur. Suum cuique – zover verenigbaar met de Nederlandse openbare orde en zover hij het Nederlandse volk niet ten last is. Zolang zij zich aan de Nederlandse wet houden, onacceptabele gewoonten afzweren (dood- en lijfstraffen, vrouwenmishandeling, openbaar slachten, dierenkwelling) en in het eigen onderhoud voorzien, mogen deze Geirim Toshvim ongestoord blijven. Tot op grote hoogte mogen zij hun leven naar eigen goeddunken invullen – eigen bestuur, eigen basisadministratie, eigen belastingen, eigen scholen, eigen zorg – mits ze zich niet mengen in Nederlandse politiek en Nederlands bestuur – en mits ze geen claim leggen op Nederlandse sociale voorzieningen. In ruil voor een bescheiden belasting staan ze binnenlands onder bescherming van de Nederlandse wet en staat het hen vrij zich economisch en professioneel te ontplooien. Waar nodig kunnen ze buitenlands reizen met een Nederlands reisdocument – met het Nederlandse staatsburgerschap, maar zonder de Nederlandse nationaliteit.

Onder de nieuwe dispensatie van een Ger Toshav wetgeving zou het grootste deel van de huidige ‘nieuwe Nederlanders’ zich in beginsel kunnen kwalificeren middels een juridische verbintenis die echter altijd voorwaardelijk blijft: zodra men de contractbepalingen schendt (terreur, criminaliteit, politiek activisme) wordt men zonder pardon gedeporteerd. Er staat immers geschreven: Worden de bozen begenadigd, dan leren zij nooit wat recht is: waar recht is blijven zij onrecht plegen (Jesaja 26:10). Het is goed denkbaar dat onder de nieuwe dispensatie vele ‘nieuwe Nederlanders’ uit zichzelf zullen vertrekken want eenmaal losgekoppeld van het Nederlandse subsidie- en uitkeringsinfuus moet men zichzelf onderhouden. De ultieme onderhoudsplicht ligt dan bij de eigen gemeenschap: die wordt via wetten verplicht uit eigen belastingen een eigen sociaal vangnet te scheppen naar minimale Nederlandse fatsoensnormen (geen structurele dakloosheid, geen diepe armoede, geen onverzorgde zieken). Terugvallen op criminaliteit is voor vreemdelingen onder de nieuwe dispensatie ook geen optie: de kosten van alle criminaliteit tegenover het gastland zal collectief worden verhaald op de gemeenschap waaruit de crimineel stamt. In die zelfregulerende modaliteit zal er weinig ruimte zijn voor arbeidontwijking, voorzieningsfraude en criminaliteit. Om een versneld vertrek van ongewenste elementen te faciliteren is een algemeen toegankelijk, tijdelijk remigratie programma aanbevelenswaardig: investeringen in bescheiden vertrekpremies en kleine remigratie-uitkeringen zijn noodzakelijke offers met een grote maatschappelijke meerwaarde.

Voor die vreemdelingen die echter oprecht Nederlander willen worden, is er altijd de optie zich als Ger Tsedek te presenteren. Er staat immers geschreven: Opent de poorten en laat het volk binnen dat rechtvaardig is en de trouw heeft bewaard (Jesaja 26:2). Maar daarbij dienen strenge normen te worden gehanteerd: alleen een betrouwbare Ger Toshav kan zich presenteren voor erkenning als Ger Tsedek – de eerste status kan in die zin altijd een opstap zijn naar de tweede status. Het daarop volgende assimilatie proces – een spiegel van de zware Israëlitische giyoer (‘bekering’) – behelst een officiële sponsor (bijv. kerkgenootschap, dorpsgemeenschap, academische autoriteit), waarborgen (bijv. veiligheidcriteria, achtergrondonderzoek, borgstellingen) en een meerjarig stappentraject. Logische stappen zijn: een strenggetoetste Christelijke of humanistische identiteit, een publieke afzwering van alle andere geloofsoorten, een volwaardig staatsexamen Nederlandse taal, een officiële aanname van een traditionele Nederlandse voor- en achternaam en een officiële eed van trouw.

De Bijbelse concepten van Ger Toshav en Ger Tsedek zijn in de eerste plaats nuttig voor een oplossing van het huidige vreemdelingen vraagstuk: het reguleert de status van de bestaande vreemdelingen populatie. Daarenboven zal het nodig zijn geloofwaardige barrières op te werpen tegen latere massa-immigratie. Dat wil zeggen: er wordt in principe alleen Ger Toshav status verleend aan al legaal in Nederland gevestigde vreemdelingen – aan hen die nu al de papieren Nederlandse ‘nationaliteit’ of een permanente verblijfstitel hebben. Verder worden alleen nog tijdelijke gastarbeiders en tijdelijke vluchtelingen toegelaten: gastarbeiders alleen voor zover gesponsord door geaccrediteerde arbeidgevers – vluchtelingen alleen op uitnodiging van geaccrediteerde liefdadigheidsinstanties. Toekomstige gastarbeiders en vluchtelingen dienen vooraf geselecteerd en gescreend te worden in hun land van herkomst – werkgevers en liefdadigheidsinstanties krijgen een onderhoudsplicht en worden volledig financieel aansprakelijk. Zij worden jaarlijks opnieuw beoordeeld en ze worden niet toegelaten tot Ger Toshav en Ger Tsedek status: hen wordt van te voren uitgelegd dat zij in Nederland nooit meer dan tijdelijke gasten kunnen zijn. Om vestiging te ontmoedigen mogen gastarbeiders geen onroerend bezit aanschaffen en moeten ze vertrekken als ze in Nederland kinderen krijgen. Om geen misplaatste verwachtingen te scheppen wordt voor vluchtelingen arbeidsinkomen opgespaard tot vertrek en moeten ze onder toezicht in speciale locaties verblijven. Dura lex, sed lex. Buitenlandse huwelijks- en gezinsmigratie wordt gestopt voor alle vreemdelingen: dit privilege blijft voorbehouden aan ‘oude’ Nederlanders. Quod licet iovi, non licet bovi.

Het is aan vernuftige rechtsgeleerden om een precieze eigentijdse invulling te geven aan de Bijbelse concepten van Ger Toshav en Ger Tsedek, maar het is belangrijk dat wijze Kerkleraren hen wijzen op het uitgangspunt van dit oude concept, namelijk: bescherming van het Nederlandse volk – en van de Roeping van Nederland. Alle Chassidei ʼoemot ha-‘ōlam,alle ‘vrome volkeren van de wereld’, zijn geroepen de Wet te overdenken en ervan te leren zodat ook zij naar hun eigen Roeping kunnen gedijen op aarde. Als de Nederlandse Kerk de Wet als maatstaf erkent, dan is zij ook gehouden duidelijke keuzes te maken – en wel voordat het te laat is.

Afsluiting: uit het Staande Gebed (Amīdah)

Attah chonen le-adam daʻat u-melammed le-enosh binah:
chone-nu me-Itkha deʻah binah ve-haskel
Barukh Attah Adonai chonen had-daʻat

U schenkt de mens inzicht en U leert het mensenschepsel verstand:
oh schenk ons uit Uzelf wijsheid, verstand en kennis
Gezegend bent Gij Heere, die inzicht schenkt.

Leave a Reply

Your email address will not be published.