Ernstfall

Een traditionalistische en decisionistische diagnose van de crisis van het Moderne Nederland.

door Alexander Wolfheze

Hoofdstuk 1 uit Alba Rosa. Tien Traditionalistische opstellen over de Crisis van het Moderne Westen (Londen: Arktos: 2019). Engelstalig verschenen bij Geopolitica.ru op 18 december 2017.

Hoe groeit uit het zaad,
hoe werd het land veranderd!
De massa leeft in schande
en lacht om minne daad.
Een feit werd in het heden
wat eens maar was bedacht:
de goeden zijn veracht,
de slechten staan aangetreden.

– Hans Scholl

Ernstfall & noodgeval

Weliswaar vertaalt het Nederlandse woord ‘noodgeval’ een stukje van het Duitse woord Ernstfall, maar de reikwijdte van het Nederlandse woord is veel beperkter: de precieze inhoud en pregnante sfeer van het Duitse woord zijn eigenlijk niet één op één vertaalbaar in het Nederlands. Taalkundige ‘onvertaalbaarheden’, zoals in dit voorbeeld, drukken heel precies de unieke psychologische kwaliteiten van verschillende volkeren en culturen uit: ze tonen aan hoe diep de verschillen kunnen zijn, zelfs als ze etnisch, taalkundig en cultuur-historisch nauw zijn verbonden. Achter het plechtige Duitse woord Ernstfall liggen zowel de diepte van de Duitse filosofie als de last van de Duitse geschiedenis. Al aan de oppervlakte roept het associaties op met de rechtsfilosofie van Nomos en Katechon en de politieke praktijk van Ausnahmezustand en Führerprinzip. Achter het verstandig ingecalculeerde Nederlandse woord ‘noodgeval’ liggen zowel de afstandelijke nuchterheid van typisch Nederlandse realiteitszin als de ingetogen heldhaftigheid van typisch Nederlandse vastberadenheid. Al aan de oppervlakte roept het een agglomeraat aan associaties op: de berekenende Nederlandse ‘verzekeringscultuur’ – waterschapsheffingen, volksverzekeringen, beperkt-aansprakelijke vennootschappen – en de bewogen Nederlandse geschiedenis van luctor et emergo. Het is aan de Duitse cultuur eigen om het ‘noodgeval’ structureel te willen anticiperen met op Ernstfall afgestelde ideeën en maatregelen. De Duitse geschiedenis toont daarom een harmonieus sociaaleconomisch raderwerk in vredestijd en een formidabele militair-politieke machinerie in oorlogstijd. Het ligt in de Nederlandse cultuur besloten om het ‘noodgeval’ tegemoet te treden met pragmatische ideeën en improviserende maatregelen. De Nederlandse geschiedenis toont daarom een permanente staat van hyper-individualistische sociaaleconomische onbestendigheid in vredestijd en kortstondige opvliegingen van collectieve Dutch courage in oorlogstijd.

De actuele realiteit in de Westerse wereld is echter dat de grenzen tussen oorlog en vrede vervagen: het hele Westen ziet zich geconfronteerd met een snel escalerende sociaal-darwinistische ‘burgeroorlog’. Aan de ‘gewone’ kapitalistische oorlog van allen tegen allen worden nu nog nieuwe oorlogen toegevoegd: de oorlog tussen jong en oud, de oorlog tussen man en vrouw en de oorlog tussen inheems en uitheems. In toenemende mate vallen deze verschillende oorlogen samen in één grote ‘permanente revolutie’ tegen alle restanten van maatschappelijke hiërarchie en orde. Rijk ziet kans om arm een rechtvaardig loon te onthouden, zwart ziet de kans om blank van eigen bodem te verjagen, uitheems ziet kans om inheems het eerstgeborenenrecht te ontzeggen, Pseudo-Islamitisch primitivisme ziet kans om de Christelijke vredesboodschap te ontkrachten, de rancuneuze vrouw ziet kans om het natuurlijk overwicht van de gemakzuchtige man te ontkennen, narcistische ouderen ziet kans om naïeve jongeren van levensvreugde en toekomstperspectief te beroven, kortzichtige werkenden zien kans om weerloze niet-werkenden in hun oude rechten te korten. Slechts de meest drastische aspecten van deze ‘globale burgeroorlog’ passeren bij mondjesmaat de politiekcorrecte censuur: slechts af en toe rapporteert de Lügenpresse een incidentele drone strike, terreuraanslag, farm killing, rapefugee event, grooming gang of rituele kindermoord. Deze nieuwe realiteit van ‘permanente revolutie’ – het Postmoderne equivalent van het Trotskistische ‘noch oorlog noch vrede’ recept – vergt een bezinning op het permanent samenvallen van Ernstfall en ‘noodgeval’. Het structureel ontbreken van Ernstfall voorzieningen leidt to een permanente realiteit van ‘noodgevallen’.

Het Traditionalistisch gedachtegoed kan bijdragen tot een correcte beoordeling van de acute crisis waarin het Westen zich bevindt. Vanuit Traditionalistisch oogpunt is deze crisis een even tragisch als onvermijdelijk gevolg van het falen van de Ernstfall voorzieningen van de Westerse beschaving. Het militant seculiere nihilisme, het hyperaltruïstische cultuur-relativisme en de historisch-materialistische bewustzijnsvernauwing van de Westerse intellectuele discours laten alleen nog de constructie van seculiere en materiële Ernstfall voorzieningen toe, en dan alleen nog maar in de mate dat die voorzieningen stroken met het neo-liberale model van de ‘nachtwakersstaat’. Een handjevol onderbetaalde politieagenten mag de allergrootste terreuraanslagen onderzoeken, een handjevol overbelaste militairen mag de aller-gevaarlijkste terreurbewegingen bestrijden en een handjevol onondersteunde douaniers mag af en toe doen alsof de Rotterdamse haven en de Amsterdamse luchthaven geen drugsoverslagplaatsen zijn. Verder kent het hedendaagse Nederland feitelijk alleen nog materiële Ernstfall voorzieningen – de meest in het oog springende zijn de Zuiderzeewerken en Deltawerken. Vroeger waren er in Nederland echter ook nog immateriële – institutionele, sociaal-culturele – Ernstfall voorzieningen, voorzieningen die grotendeels zijn afgeschaft door de Moderne ‘vooruitgang’, maar die voor het voortbestaan van een land en een volk uiteindelijk belangrijker zijn dan dijken en sluizen. Het gaat hier over de Ernstfall voorzieningen die nog horen bij de wereld van de premoderne wereld. Het gaat hier over de sociaal-politieke instituties en cultuur-historische structuren die de grenzen, etniciteit, taal, waarden en cultuur van Nederland eeuwenlang hebben gevormd en beschermd. Monarchie, Adel, Ridderlijke Orde, Kerk, Academie en Gilde behoren tot deze Ernstfall voorzieningen: het zijn de instituties die door Traditionalistische denkers worden geduid als verschijningsvormen en manifestaties van de Katechon, dat wil zeggen het schild van beschaving dat elke authentiek Traditionale gemeenschap beschermt. Een doorbroken dijk, een ondergelopen polder, een verwoest huis – die kunnen worden hersteld. Een uitgestorven volk, een vergeten taal, een verloren geloof, een verwoeste cultuur – die komen nooit meer terug.

Moderniteit: ‘vooruitgang’ & ‘vrijheid’

Wie geen volk meer wil zijn en wie geloof en cultuur in de vuilnisbak van de geschiedenis wil deponeren, kan zich verheugen over de ondergang van de oude Ernstfall voorzieningen. Voor hen die zo denken is er geen sprake van ‘identiteitsverlies’ en ‘oikofobie’ – voor hen is er slechts sprake van ingecalculeerde ‘vooruitgang’ en nastrevenswaardige ‘vrijheid’. Dat is de kleingeestige en benauwende belevingswereld – de existentiële ‘bubbel’ – waarin de maatschappelijke elite leeft en waarnaar het politieke regime handelt. Voor wie neo-liberale globalisatie, anti-nationalistisch universalisme en seculier-kosmopolitisch nihilisme een innerlijke oriëntatie en natuurlijke habitus zijn, zijn de processen van ‘vooruitgang’ verheugend: de ‘homeopathische’ ingreep in de etniciteit, de ‘internationaliserende’ ingreep de taal, de ‘deregulerende’ ingreep in het economisch leven, de ‘deconstruerende’ ingreep in het geloofsleven en de ‘emanciperende’ ingreep in het familieleven. Het zijn de revolutionaire processen van Moderne ‘vooruitgang’ die het existentiële vacuüm van de Moderne ‘vrijheid’ mogelijk maken: de vrijheid om door het leven te gaan zonder een koning die vrees en bewondering inboezemt, zonder een adel die gedrag en smaak voorleeft, zonder een kerk die vroomheid en fatsoen vergt, zonder een academie die kennis en wijsheid eist, zonder een echtgenoot die eer en deugd bewaakt, zonder een vader die grenzen en eisen stelt. Het is de meest letterlijk ‘grenzeloze’ vrijheid, zonder materiële zelfbeperkingen, zonder sociale normen, zonder culturele bagage, zonder morele plichten en zonder gewetensvragen. Het is niet alleen de vrijheid van drugsbaronnen in dure restaurants en souteneurs in snelle wagens, maar ook die van gladde politici in mooie maatpakken en bonusvierende bankiers in fraaie villa’s. Het is de vrijheid om de wet te begraven in bureaucratisch ‘bestuur’ en rechtvaardigheid weg te lachen in propagandistisch ‘debat’. Het is de vrijheid om honderdduizenden frauderende ‘vluchtelingen’ en criminele ‘asielzoekers’ woningen, medicijnen, banen en subsidies te bieden, terwijl honderdduizenden eigen mensen ziek, werkloos, dakloos of hulpbehoevend zijn, of gebukt gaan onder onoplosbare schulden. Het is de vrijheid om het onderwijs en de cultuur uit te leveren aan geldgraaiende ‘managers’ en rancuneuze ‘minderheden’ ten koste van kostbare kennis en kwetsbaar erfgoed. Het de vrijheid om schaarse banen te reserveren voor verveelde feministen en opgepoetste allochtonen ten koste van werkloze kostwinners en potentiële familievaders. Het is de vrijheid om snel rijk te worden in drugshandel en prostitutie en daarmee hard werken en voorzichtig sparen tot lachwekkende anachronismen te reduceren. Het is de vrijheid om ongeboren kinderen en ‘overbodige’ ouderen te doden ter wille van abstracte illusies als ‘zelfbeschikking’ en ‘levenskwaliteit’. Het is de vrijheid die democratisch recht geeft op onbeperkt autorijden en eindeloos herhaalde vliegvakanties, terwijl de antropogene aardopwarming schaatsenrijden en sneeuwballen gooien allang tot een verre jeugdherinnering heeft gereduceerd. Het is de vrijheid van ‘ouders’ om een zoveelste vakantiewoning te bouwen, terwijl kinderen hun studie mogen bekostigen in een wurgend leensysteem. Het is de vrijheid om je, verveeld na het zoveelste ‘samenlevingsconvenant’, praktisch ongestraft en heel modieus aan je eigen (stief)kinderen te vergrijpen. Het is de vrijheid om elke dag ‘betaalbaar’ dode dieren te kunnen eten zonder te hoeven tellen hoeveel miljoenen onschuldige schepselen in een ‘bio-industrie’ geheten geïndustrialiseerd martelprogramma worden fijngemalen.

Dat is dan de gecombineerd neo-liberale-cultuurbolsjewistische vrijheid die de Moderne zelfbenoemde Uebermensch eindelijk in staat om waarlijk ‘zichzelf te zijn’. In die vrijheid kan de volmaakt contente Postmoderne consument zich ontspannen in de ongestoorde illusie van het geluksparadijs terugtrekken: Friedrich Nietzsche’s ‘laatste mens’ wordt zo een feit. Dat is dan de vrijheid die gloort in de ‘verweesde samenleving’ van Pim Fortuyn en die toekomt aan de verschrikkelijke ‘bastaardkinderen’ van Peter Sloterdijk. De ‘baby boomers’ hebben deze vrijheid voorgedaan, de ‘grachtengordelaars’ leven deze vrijheid voor en ‘planeet Vak K’ is de gidsster naar nog meer van deze vrijheid. ‘Planeet Vak K’, anders dan die andere lang vergeten ster van 2000 jaar geleden, schijnt niet voor wijze koningen: ze belicht de brede democratische weg naar de vijfsterren herberg van de Postmoderne ‘zelfverlossing’. Daar staat de beestenstal van het Moderne Anti-Bethlehem, waar men van brood alleen leeft, en van de grote hoererij van het Nieuwe Babylon, waar men niet langer wordt gestoord door God en gebod. Daar heerst de zaligmakende zekerheid dat de strijd om een menswaardig bestaan, de strijd om een menswaardige identiteit en de strijd tegen het dierlijk instinct voor altijd voorbij zijn – simpelweg omdat mens-zijn is vervangen door de Untermensch realiteit van mateloos materialisme en harteloos hedonisme.

Traditie: palingenese & anagogie

Nog niet het hele Nederlands volk wenst echter in een stal en tussen de beesten te wonen. Nog steeds zijn er weldenkende mensen die het Nederlandse volk een andere toekomst toewensen. Het is belangrijk dat alle mensen die oprecht voor het Nederlandse volk in de bres treden de diepten van het Ernstfall correct peilen. Dat zij de onmiskenbare symptomen herkennen van René Guénon’s crise du monde moderne en van Carl Schmitt’s Ausnahmezustand. In de wijdere Westerse wereld zijn er recent een aantal politiek-filosofische ontwikkelingen opgetreden die direct relevant zijn voor de Nederlandse problematiek en de juiste contextuele inschatting van die problematiek. De afgelopen jaren hebben een aantal Westerse denkers de eerste voorzichtige stappen gezet naar een intellectuele Bewältigung van de escalerende ‘Crisis van de Moderne Wereld’. Peter Sloterdijk’s Die schrecklichen Kinder der Neuzeit, Guillaume Faye’s Archéofuturisme en Jason Jorjani’s World State of Emergency bevatten een aantal analyses en hypotheses die direct relevant zijn voor die crisis. De recente ontsluiting van ouder gedachtegoed, zoals in de recente heruitgaven en heroverweging van het werk van Oswald Spengler en Julius Evola, duiden op een algemene tendens naar fundamentele Vergangenheitsbewältigung in de Westerse wereld. De onofficiële maar reële noodtoestand die is ingetreden in het Westen leidt hier en daar tot instinctieve pogingen tot meta-politieke herbewapening. Deze verzetshaarden variëren van neo-liberaal ‘populisme’ (de Nederlandse PVV) en libertarische ‘cultuurkritiek’ (het Nederlandse FVD) tot alt-rechts ‘etnonationalisme’ en oud-rechts ‘romanticisme’. Het ultieme wapen waarop het Westen kan terugvallen is echter tegelijk het oudste: het Traditionalistisch gedachtegoed. Het Traditionalistisch ‘Zwaard van de Kennis’ is een wapen van het laatste uur – het kan alleen uit de steen der geschiedenis worden getrokken wanneer men begrijpt wat er echt op het spel staat.

Het Nederlandse volk staat op de rand van de afgrond – de jonge generatie kan er niet meer omheen: Ernstfall en noodgeval dienen zich aan. Het besef dat het Nederlandse volk met een existentiële crisis wordt geconfronteerd dwingt tot een urgente herbezinning op de Ernstfall voorzieningen waarmee die crisis kan worden bezworen. Het is echter al zo lang geleden dat er serieus over die voorzieningen is nagedacht, dat het nodig is om eerst eens over hun elementaire achtergrond na te denken. In confrontatie met een existentiële crisis tellen altijd de kortste weg naar veiligheid en het meest voor de hand liggende wapen: dat geldt in het fysieke zowel als psychologische domein. Zelfhandhaving in een echte crisis vergt de bereidheid tot totale oorlog – naar buiten en naar binnen. In confrontatie met een existentiële crisis moet een volk zichzelf ook innerlijk overwinnen en heruitvinden. Sommige volkeren hebben zich duizenden jaren gehandhaafd in de meest onmogelijke en hachelijke situaties – ze hebben zichzelf continue opnieuw uitgevonden. Het ‘palingenetisch’ – zelfvernieuwend – vermogen van volkeren berust op toegang tot hetzelfde onpersoonlijke en elementaire krachtenveld dat het ooit in het leven riep – een vermogen dat tegelijk onder-menselijk (want bio-evolutionair adaptief) en boven-menselijk (want transcendent-referentieel) is. In oude literatuur heet dat krachtenveld de ‘volksziel’ en in oude mythen wordt het in verband gebracht met een bovenaardse ‘lotbestemming’. In de moderne wetenschap wordt dit krachtenveld in abstracte sociologische en antropologische terminologie gevangen, maar dat doet niets af aan de realiteitswaarde van de oude waarheden van volksziel en lotsbestemming. Alle premoderne gemeenschappen, van het kleinste natuurvolk tot het grootste Imperium, worden gekenmerkt door tegelijk onderbewust en bovenbewust relevante sociaal-politieke mechanismen en maatschappelijke structuren die de biologische en culturele continuïteit bevorderen. Deze mechanismen en structuren, die etniciteit, taal, geloof en cultuur voor de ondergang beschermen, zijn de Ernstfall voorzieningen van de premoderne wereld. De dubbele aard van deze Ernstfall voorzieningen wordt in de Traditionalistische symboliek uitgedrukt in het tweesnijdend zwaard: het verwijst naar gecombineerde fysieke en spirituele macht. Het hoogste verwezenlijkingniveau van die macht is het supra-nationaal Imperium. Wanneer het Imperium faalt, valt de macht terug op het direct daaronder liggende niveau: het niveau van de natiestaat. Wat Jacob Needleman het ‘Zwaard van de Gnosis’ noemt verwijst naar een machtscombinatie van fysieke kracht, intellectuele scherpte en spiritueel inzicht. Deze machtscombinatie geeft niet alleen individuen en kleine stamverbanden, maar ook hele volkeren en grote staten het vermogen tot zelfvernieuwing. Dit is het principe dat symbolisch wordt weerspiegeld in mythische zwaarden als Gram en Excalibur. Het oplichtend ‘Zwaard van de Kennis’ wordt altijd hervonden of hersmeed als de nood het hoogst is, in andere woorden: wanneer het ultieme Ernstfall zich aandient.

Het premoderne leven is één groot Ernstfall: de wolf vreet de schapen op, het zwijn wroet het veld om, de winterkou doodt de bejaarde, het kraambed doodt het kind, de buurstam rooft de vrouw, de roversbende brandt het huis neer en het kwade spook benevelt het verstand. De Ernstfall voorzieningen van de premoderne wereld zijn afgesteld op een permanente theriomachie, een nooit aflatende ‘dierenstrijd’. Het is een existentiële strijd met een legioen aan natuurlijke, menselijke en spirituele vijanden die een doorlopende ‘staat van beleg’ vereist, een constante alertheid en strijdvaardigheid. Dit is de ervaringsrealiteit waarop alle authentieke vormen van Traditioneel bestaan zijn gebaseerd. De wereld van de Traditie is een zwart-wit wereld van goed en kwaad, van licht en duister – het is een wereld die geleefd wordt in een compromisloos Wehr- und Waffen-Instinkt en die bewaakt wordt door wachters op fysieke en spirituele muren. Die wachters mogen geen fouten maken: elke onoplettendheid, elke twijfel en elke zwakte van de wachters is fataal voor de gemeenschap. De wachter mag de wolf niet aanzien voor schaap, mag de vreemdeling niet aanzien voor eigen volk, mag de poort niet uit het zicht verliezen, mag zich niet door zoete praat laten afleiden, mag niet meedrinken bij het feest, mag het kind niet laten aanspreken door een onbekende, mag het meisje niet laten verleiden door een vreemdeling. Zelfdiscipline en zelfopoffering bepalen gedachte en gedrag van de wakers. De blik moet helder blijven en de gedachte moet eenduidig blijven: eigen volk is eigen volk, vreemdeling is vreemdeling, vrouw is vrouw, kind is kind. Sterke, dappere en wijze mensen vormen zo een muur rond kwetsbare, zieke en zwakke mensen. Zij beschermen het kind, de vrouw en de grijsaard – hun functie is institutioneel en cultureel vastgelegd in de samenleving. Op het primitiefste niveau gaat het om de wachters die beesten doden, de krijgers die vijanden verdrijven, de kruidendokters die zieken verzorgen, de medicijnmannen die het geestenrijk bezweren, de stamoudsten die recht spreken en de opperhoofden die het volk door een wilde wereld leiden. Op het beschaafdste niveau gaat het om de dijkgraven die het water ingedamd houden, de ridders die de grens bewaken, de heelmeesters die het lichaam genezen, de priesters die de geest genezen, de magistraten die de wetten bewaken en de vorsten die de vrede handhaven. De exponenten en archetypen van de wereld van de Traditie zijn de gezalfde monarch, de geboren edelman, de gewijde priester, de eedgebonden heelmeester en de beproefde gildemeester.

De universeel terugkerende kenmerken van de wereld van de Traditie zijn holistische integratie, hiërarchische organisatie en transcendente richting. Alle leden van de groep – de stam, het volk – hebben hun eigen plaats en alle leden hebben – al naar gelang geboorte, leeftijd, talent en verdienste – specifieke plichten en specifieke rechten. De eigen plaats is archetypisch van aard: er zijn mannenrollen en vrouwenrollen, er zijn adelplichten en burgerplichten, er zijn erfelijke privileges en gewijde ambten. De richting van de wereld van de Traditie is altijd ‘anagogisch’: men blikt naar boven, men streeft naar boven, men wordt naar boven gedreven. Men is altijd meer dan zichzelf, zelfs in de meest aardse beleving: de aanstaande moeder spiegelt zich in de Moeder van God, de bedelaar spiegelt zich in de Arme Job, de stervende spiegelt zich in de Lijdende Verlosser. De hogere roepingen zijn expliciet bovenmenselijk: de formule van de Priester schenkt vergeving, het zwaard van de Ridder verjaagt vijand, de handoplegging van de Koning schenkt genezing. Bij tijd en wijle worden deze archetypes zover opgeschroefd dat ze doorstoten tot in de hoogste sferen van heroïsche en heilige transcendentie. Ook de stugge klei en het nuchtere volk van het kleine Nederland hebben zulke grootheden voortgebracht: Thomas a Kempis als mysticus, Desiderius Erasmus als filosoof, Willem Barentsz als ontdekkingsreiziger, Michiel de Ruyter als zeeheld, Rembrandt van Rijn als kunstenaar. Door alle hiërarchische lagen heen zijn in de wereld van de Traditie rechten en plichten steeds functioneel bepaald, met dien verstande dat de zwaarste lasten steeds op de sterkste schouders rusten. De idealen van de wereld van de Traditie zijn voor iedereen bovenmenselijk – maar ze geven ook bovenmenselijke kracht.

Volks-wording & volks-verwording

Ook het volk als geheel heeft rechten en plichten, ook de idealen van het volk zijn bovenmenselijk en ook het volk heeft bovenmenselijke kracht. Het volk verovert en handhaaft voor zichzelf een grondgebied, een bestaansrecht, een naam en een reputatie door als collectief de strijd aan te gaan met natuurlijke en menselijke vijanden. De resulterende landnám kan zich beperken tot een paar hectaren jachtrevier in een oerwoud maar kan zich ook uitstrekken tot een duizenden kilometers groot Imperium, verspreid over meerdere continenten.

Bij het kleine Nederlandse volk gaat het om een bescheiden tussenvorm: een agglomeraat van Germaanstalige stammen vestigt zich in de moerasdelta tussen Eems en Schelde en in de loop van een paar eeuwen vormt zich het Nederlandse volk. Onder druk van de natuur en de geschiedenis doorloopt het een aantal specialistische adaptaties – het zijn die adaptaties die de Nederlandse identiteit bepalen, fysiek en psychisch. Fysiek overleeft men het gevaarlijke getijdenland en het barre klimaat. Psychisch verdraagt men de platgeslagen horizon en het winterduister. Historisch ontworstelt men zich aan de externe dwang van religieuze monocultuur en politiek centralisme. Moerassen en geestgronden moeten wijken voor polders en tuinen. Rietvelden en oerbossen moeten wijken voor dorpen en steden. Binnenlandse anarchie en buitenlandse tirannie moeten wijken voor recht en autonomie. Bijgeloof en heksenwaan moeten wijken voor wetenschap en humanisme. De buitenlandse Goliath – het Spaanse wereldrijk, de Engelse handelsconcurrent, de Franse Zonnekoning – wordt verslagen door de Nederlandse David. Het kleine Nederlandse volk heeft zijn bestaansrecht bevochten en de kleine Nederlandse staat overleeft de 18e en 19e-eeuwse sociaal-darwinistische afvalrace van het nationalisme en imperialisme. Nederland overleeft de globale crises van de Franse Revolutie, de Europese Revolutie van 1848 en de Eerste Wereldoorlog: land, volk en staat absorberen wat nuttig is, stoten af wat schadelijk is, overleven wat ziek is. Het is pas de Tweede Wereldoorlog die land en volk tot in de wortels ziek maakt. In de nasleep van de Tweede Wereldoorlog dienen zich de eerste symptomen aan van een fatale uiterlijke en innerlijke verzwakking: men neemt zijn toevlucht tot de Benelux douane-unie, men offert de neutraliteit op aan het NAVO militair verbond en men berust in het vernederende verlies van Oost-Indië.

Na een kort intermezzo van infrastructurele transformatie, massa-emigratie en culturele Amerikanisering beleeft Nederland midden jaren zestig een ongekend diepe identiteitscrisis. Voorheen gelegen in de historische marge van de Westerse ‘vooruitgang’ komt Nederland nu te liggen in het oog van de storm van de Westerse Moderniteit. De Crisis van de Moderne Wereld slaat in alle hevigheid toe en de stormvloed van het Cultuur-Nihilisme vaagt alle identiteit en traditie weg. Eén enkele generatie, de babyboom generatie, volstaat om een erfenis van eeuwen te verkwanselen. Gedreven door ongebreideld consumentisme, hedonistisch narcisme en seculier nihilisme bouwen de baby boomers een megalomane nieuwe Toren van Babel. Men wisselt kleinschalige akkerbouw, veeteelt en visserij in voor een grootschalige ‘bio-industrie’ waarin menselijke gezondheid en dierenwelzijn worden opgeofferd for a fistful of dollars. Men wisselt de maakindustrie in voor een diensteneconomie – de overgebleven fysieke arbeid wordt uitbesteed aan ‘gastarbeiders’. Men wisselt schone handel en gedegen bankieren in voor het faciliteren van industriële dumping, drugsdoorvoer, woekerpraktijken in ‘consumentenkrediet’ en witwasconstructies voor ‘brievenbusfirma’s’. Men wisselt de nationale munt in voor Europees monopolygeld. Men wisselt de eigen grenzen in voor globalisering. ‘Internationale verdragen’, ‘Europese regelgeving’, ‘marktmechanismen’ en ‘concurrentieposities’ prevaleren boven de meeste elementaire noties van zelfbehoud, zelfrespect en gemeenschapszin.

Veroordeeld tot een ‘race naar de bodem’ worden Nederlandse werknemers op één lijn gesteld met Oost-Europese ‘arbeidsmigranten’. Neergesabeld door ‘internationalisering’ en ‘valorisatie’ worden Nederlandse universiteiten en musea naar Amerikaans recept gereduceerd tot culturele pretparken. Door massa-immigratie wordt binnen enkele jaren de totale Friese bevolking, inheems vanaf de Romeinse Tijd, in getal overtroffen door Turkse en Marokkaanse ingezetenen. Door de legale ficties van ‘inburgering’ en ‘naturalisatie’ worden miljoenen ‘nieuwe Nederlanders’ in kort tijdsbestek economisch en politiek gemobiliseerd als consumptiespons, arbeidsreserve en stemvee. In korte tijd infiltreren ‘allochtonen’, vetgemest met ‘doelgroep subsidies’, opgepompt door ‘voorkeursbeleid’ en ingekapseld in ‘antidiscriminatie wetgeving’, alle bestuursorganen, alle veiligheidsdiensten, alle universiteiten en alle overheidsmedia. ‘Kindertoeslag’, ‘gezinshereniging’ en ‘vluchtelingenopvang’ zorgen voor doorlopende demografische versterking van de overheidsgesponsorde ‘diversiteit’. Binnen enkele jaren vormen zich in de grote steden onleefbare getto’s – broedplaatsen van criminaliteit, prostitutie, extremisme en terrorisme. Binnen één generatie, de babyboom generatie, is Nederland zwaar – de antinationale elite hoopt onherstelbaar – beschadigd. Critici van globalisering en massa-immigratie worden systematisch vervolgd en kaltgestellt, doorgaans via de geëigende weg van politiekcorrecte heksenjacht en publieke karaktermoord. Slechts een enkel bijzonder talent valt het voorrecht van heus martelaarschap ten deel: de begaafde geest van Professor Fortuyn werd uitgebannen met een kogel.

Maatstaven & keuzemomenten

In 2002 schreef Professor Fortuyn De puinhopen van acht jaar paars. Hij kon er toen nog mee volstaan een milde kuur van democratische en geleidelijke koerscorrectie voor te schrijven. Zelfs dat was echter al teveel gevraagd van het establishment – de elite kiest voor de Flucht nach vorne. Meer dan vijftien jaar later vergen de puinhopen van Nederland een veel dieper en groter archeologisch project dan dat van Professor Fortuyn. Een lange meetlat is nodig om de huidige crisis nog juist in te schatten. De nieuwe generatie zal veel dieper moeten graven en een veel groter terrein moeten bestrijken. Het is tijd tot herbezinning op de elementaire noties van Ernstfall en noodgeval, want veertig jaar land- en volksverraad kunnen niet meer worden genezen met een kosmetische ingreep. De nieuwe generatie wordt geconfronteerd met een taak van Bijbelse proporties. Diep in zijn hart moet Professor Fortuyn de ware omvang van de taak al hebben vermoed want drie weken voor zijn dood schreef hij in de heruitgave van De verweesde samenleving dat hem het visioen van Mozes vergund was geweest: de oude profeet ziet na veertig jaren woestijn vanaf een berg de contouren van ons oude Beloofde Land. Professor Fortuyn mag van zijn taak rusten – maar er is geen rust voor de levenden. Het is nu aan een nieuwe generatie om het Beloofde Land weer op te eisen en het voor het eigen volk terug te veroveren. Maar het is alleen met bovenmenselijke kracht dat die taak kan worden vervuld: alleen door een compromisloos vertrouwen op de Voorzienigheid en radicale opofferingsgezindheid kan de belofte nog worden ingelost. Het Traditionalistisch gedachtegoed kan iets leren over waar die kracht, dat vertrouwen en die gezindheid vandaag komen. Het Traditionalistisch gedachtegoed biedt de meta-historische meetlat om het Ernstfall juist in te schatten. Maar het biedt geen ‘ideologische onderbouwing’ en geen ‘metafysische hoop’ – en al helemaal geen ‘politiek programma’. Het biedt alleen een historisch beproefde bezinningsformule. Het biedt de intellectuele en morele tabula rasa die onmisbaar is voor een authentieke en effectieve vorm van meta-politieke herbewapening.

Er zijn verschillende filosofisch-wetenschappelijke benaderingen mogelijk om nationale wording- en verwordings-fenomenen (diachrone ‘volks-wordingen’ en ‘volks-verwordingen’) en de resultaten daarvan (synchrone ‘volks-identiteiten’) te beschrijven. Uiteindelijk is elke gekozen benaderingskeuze functioneel – in beginsel zijn alle verschillende benaderingskeuzes complementair ten opzichte van elkaar, ook wanneer een bepaalde benaderingskeuze op een gegeven moment de politiekcorrecte voorkeur heeft en de positie van institutioneel monopolie verwerft. Bij de Modernistische (ofwel ‘historisch-materialistische’) filosofisch-wetenschappelijke benadering – de voorkeursbenadering binnen de academische wetenschap, voor zover die nog oprecht beoefend wordt – zijn vooral materiële factoren studieobject, inclusief genetische basis, epigenetische tendens, sociaal-geografische condities en sociaaleconomische dynamiek. Bij de Traditionalistische filosofisch-wetenschappelijke benadering zijn vooral immateriële factoren studieobject, inclusief cultuur-historische dynamiek, geschieds-psychologie, meta-historische interpretatie en transcendente functionaliteit. In de Traditionalistische benadering zijn de Ernstfall voorzieningen van een gegeven volksgemeenschap belangrijke ijk- en meetpunten voor de identiteit en de toekomst van die volksgemeenschap. In de Westerse en de Nederlandse geschiedenis waren Monarchie, Adel, Kerk en Academie de belangrijkste van die voorzieningen. Het is dus de vraag in hoeverre deze oude instituties – voor zover ze nog bestaan – nog actuele relevantie kunnen hebben als Ernstfall voorzieningen in de huidige Crisis van de Moderne Wereld. Kunnen ze dat niet, dan zullen ze roemloos en onbetreurd van het historisch toneel verdwijnen: de geschiedenis kan dan volledig nieuwe instituties scheppen, afgesteld op een volledig nieuw – waarschijnlijk volledig geherdefinieerd en waarschijnlijk onherkenbaar vernieuwd – volk. Kunnen ze dat wel, dan zijn ze de sterkste schuilburchten en de beste uitvalsbases voor een nationale wedergeboorte: land en volk kunnen dan historisch herkenbaar blijven bestaan.

De fundamentele vraag is er één van existentiële herbezinning – het is een vraag die instituties als Academie, Kerk, Adel en Monarchie zichzelf moeten stellen en die niemand anders voor hen kan beantwoorden. Kan en wil de Academie nog Academie zijn? Kan men daar nog terug naar de hoge taak van echte kennisoverdracht en fundamenteel onderzoek in het belang van land en volk? Of wenst men slechts comfortabele inkomentjes en holle titeltjes te creëren voor rancuneuze feministen, ellebooghandige buitenlanders en zwendelende managementconsultanten? Kan en wil de Kerk nog Kerk zijn? Kan men daar nog terug naar de heilige taak van geestelijke bescherming en bediening van land en volk? Of wenst men slechts een ‘spiritualistisch’ rookscherm op te trekken rond zelfbenoemde New Age hogepriesters, hypocriete zedendelinquenten en illegaliteit bevorderende volksverraders? Kan en wil de Adel nog Adel zijn? Kan men daar nog terug naar de ridderlijke roeping om vorst en volk te dienen in leger, hof, diplomatie en bestuur? Of wenst men slechts laffe gemakzucht toe te dekken met een mooie oude naam? Kunnen deze oude instituties zich heruitvinden en zichzelf waar nodig met nieuwe mensen, nieuwe namen, en nieuwe ideeën herdefiniëren? Of wensen ze zichzelf bij te zetten in het rariteitenkabinet van de geschiedenis? Kunnen deze oude instituties een op de nieuwe tijd en op nieuwe problemen toegesneden rol vinden? Of wensen ze te berusten in het quasi-intellectuele ‘vooruitgang’ discours van de cultuurnihilistische elite? In dat laatste geval zullen ze verdwijnen op de vuilnisbelt van de geschiedenis – hoogstens worden ze in een radicaal nieuwe vorm herbedacht door het volk dat door hen verraden is.

Bij één instituut is nog geen vraagteken gezet: de Monarchie. De reden daarvoor is eenvoudig: bij de Monarchie is in Nederland helemaal geen vraagteken mogelijk – Nederland valt en staat met de Oranjedynastie. Terugkeer naar ‘republikeins stadhouderschap’ onder Oranje is geen optie: adel kan in titel wel omhoog stijgen – van prinsen- naar koningstitel – maar niet omlaag. Daarmee is Nederland ofwel een Koninkrijk onder Oranje, ofwel niets. De Nederlandse staat en het Nederlandse volk zijn beide de schepping van Willem van Oranje: hij is letterlijk de Vader des Vaderlands. Er is hier sprake van een lotsverbondenheid die, gewenst of ongewenst, niet valt te ontkennen en waarover het echte Nederlandse volk ook geen tegenspraak duldt – alle vrijmetselaars fantasie, alle republikeinse retoriek en alle regenteske jaloezie ten spijt. De Oranjemonarchie is de laatste linie en de sterkste citadel van Nederland als natie – het is de ultieme Ernstfall voorziening van land en volk. Eerbied en respect voor de Oranjemonarchie is geen sentimentele dweperij, maar in de eerste plaats simpele eerbied en respect voor eigen land en eigen volk, beide scheppingen van de Oranjedynastie. In de tweede plaats is het de noodzakelijke consequentie van elke authentiek Traditionalistische staatsopvatting. In de derde plaats is het de simpele erkenning van de historische realiteit. Het Koninkrijk, bestendigd door het Wener compromis van 1814, geeft Nederland een gerespecteerd fundament in de internationale jungle. De twistzieke burgers, boeren en buitenlui van de Lage Landen hadden het sociaal-darwinistische tijdperk van nationalistisch-imperialistische Realpolitik nooit als soeverein volk kunnen overleven in een gedecentraliseerde koopliedenrepubliek. De Oranjedynastie, steenrijke oeradel met een geduchte politiek-militaire reputatie, gaf en geeft niet alleen een onwaarschijnlijke internationale prestige en diplomatieke allure aan het land van canards, canaux en canailles, maar ze levert ook een hoger symbool van nationale identiteit en historische continuïteit. Terwijl de meeste Westerse staatshoofden onder de terreur van de 20e-eeuwse hyper-democratie zijn gedegradeerd tot geanonimiseerde interim-managers, kan de Nederlandse koning nog steeds op grond van soevereine gelijkwaardigheid naast de Japanse keizer staan. Ongeacht de historische haarkloverij, publicitaire roddel en ideologische vooringenomenheid van de verveelde intelligentsia is en blijft Oranje Nederland en is en blijft Nederland Oranje.

Toekomstperspectieven & zelfanalyses

acquirit qui tuetur

Op het moment dat de band tussen Oranje en Nederland breekt zal het niet zijn omdat Oranje verdwijnt, maar omdat Nederland verdwijnt. Tegen de tijd dat er zich een republikeinse Regent Rutte of President Pechtold meldt, is er allang geen Nederland meer. Zulke figuren zijn dan nog slechts karikaturale provinciale langvoogden – zetbazen van de internationale bankiersdictatuur en het bijbehorende Brusselse politbureau. Tegen die tijd zal ‘Nederland’, onder de voet gelopen door een krioelende massa métèques, niet meer zijn dan een geografisch begrip. Het ‘Eurocratische scenario’ van quasiautonome status als fiscaal wingewest onder van de Brusselse superstaat is echter een kinderlijke illusie. Op middellange termijn is het ‘Islamitisch scenario’ veel waarschijnlijker: het ligt in de demografische lijn der verwachting dat ‘Nederland’ simpelweg militair spergebied zal worden in het ‘Eurabisch Kalifaat’. Dat tweede scenario belooft een heel wat onaangenamer toekomst – althans voor de laatste niet-bekeerde inboorlingen. Eén van de laatste muren die Nederland nog scheiden van deze twee scenario’s is zijn koningshuis.

De keuzes die de oude Ernstfall instituties van Monarchie, Adel, Kerk en Academie op dit drempelmoment zullen maken voor zichzelf en voor Nederland zijn allesbepalend. Daarbij geldt: geen keuze is ook een keuze – dat is dan de keuze om willoos en gemakzuchtig ‘mee te gaan met de tijd’. Misschien wint men daarmee nog een paar jaartjes om de bankrekening en de buik nog verder te vullen, maar dan wel ten koste van het laatste restje fatsoen en zelfrespect. Daarbij geldt ook: de keuze voor de weg van de minste weerstand leidt maar naar één bestemming: roemloos overleefd, gedegenereerd en onbetreurd van het toneel van de geschiedenis te verdwijnen. Maar wanneer toekomstige historici de aanstaande keuzes van deze oude instituties zullen beoordelen, dan zullen ze ook kijken naar de keuzes van het volk dat door deze instituties werd gediend. Het volk – opgedeeld in wat feitelijk de Derde, Vierde en Vijfde Stand zijn – is geroepen zijn Ernstfall instituties te dragen en te steunen: het volk moet hiërarchie verdragen en zijn instituties ondersteunen. Doet het volk dat niet, dan zijn die instituties machteloos. Het volk staat en valt als geheel – het hoofd werkt niet zonder het hart en de arm werkt niet zonder de longen. Erkenning van de noodzaak van eensgezindheid, samenhorigheid en samenwerking – een totaliserende mobilisatie van de hele gemeenschap in Ernstfall en noodgeval – is een fundamenteel principe van elke authentiek-Traditionalistische staatsleer. De holistische visie van het Traditionalisme leert dat een volk zichzelf alleen zó kan heruitvinden. Alleen zó kan het Nederlandse volk uit de as van de Moderniteit herrijzen. Om dat tijdloze visioen te verwezenlijken is allereerst een innerlijke omslag nodig: het vergt een zich bewust en actief afwenden van de ‘vooruitgang’ pretentie en van de ‘vrijheid’ illusie die vervat liggen in het Moderne Cultuur-Nihilisme. Het vergt van iedereen – ongeacht rang en stand, ongeacht maatschappelijk status, ongeacht opleidingsniveau, ongeacht geslacht en ongeacht leeftijd – dat men in de spiegel kijkt en zich afvraagt of men nog een authentieke persoonlijke lotsbestemming kan herkennen en nog een authentieke sociale rol kan aanvaarden. De spiegel van het Traditionalisme is onverbiddelijk en heeft het Nederlandse volk veel onaangenaams te leren:

(1) Dat de Derde Stand – ‘blauwe boekje’, patriciaat, regenten – zich niet in geld en privilege kan inkapselen en zich niet los kan maken van het volk. Internationale beleggingen en overzees vastgoed zijn geen vervanging voor huis en haard: ook de rijkste bankier en slimste zakenman hoort nog bij het volk.

(2) Dat de Vierde Stand – midden- en kleinbedrijf, arbeiders, boeren, vissers – niet afgunstig de rijkdom en privileges van adel en patriciaat moet imiteren. Hyper-materialistische en immorele verlangens zijn ongepast voor een stand die is geroepen tot productieve arbeid en eerzaam familieleven. Pronk- en genotzucht geven geen pas voor mensen die geroepen zijn tot arbeidsleven en gezinsverantwoordelijkheid.

(3) Dat de Vijfde Stand – inwonende vreemdelingen – zijn bescheiden plaats moet kennen in het gastland en zich de ruimhartige gastvrijheid van het gastvolk moet herinneren. De geschiedenis geeft bepaalde groepen – Israëlieten, Roma, West- en Oost-Indische ex-kolonialen, Afrikaner stamverwanten – recht op een eigen vaste plaats in Nederland. Maar Gastarbeiders, arbeidsmigranten, vluchtelingen en hun nageslacht hebben hier slechts een tijdelijke plaats. Degenen die geen eerlijke arbeid (meer) (willen) doen en die geen eerlijk vluchtverhaal (meer) hebben dienen naar hun eigen land terug te keren. Degenen die de eer aan zichzelf houden en uit zichzelf de grenzen van het fatsoen herkennen kunnen een fatsoenlijk afscheid en een fatsoenlijke verrekening verwachten. Degenen die zich met geweld en bedrog vastklampen aan fictieve ‘rechten’ kunnen een passende respons verwachten. Wie als Vijfde Stand in Nederland mag blijven, moet leren als gast te leven. Dat betekent beleefd de mond dichthouden als het gastgevende volk over zijn eigen land en erfgoed praat – en respectvol de handen af te houden van de rechten, de bezittingen en de mensen van het gastgevende volk.

(4) Dat alle groepen zich moeten bezighouden met de plichten en verantwoordelijkheden die de Voorzienigheid ze heeft toebedeeld. De Eerste Stand, de Adel, is geroepen de soldaten, diplomaten, hovelingen, landheren en weldoeners te leveren om de vorst, het volk en het land te dienen – zonder ankerloos kosmopoliet te worden. De Tweede Stand, de Kerk, is geroepen tot priesterschap, ouderlingschap, onderwijs, ziekenzorg en armenzorg – niet voor ongewenste vreemdelingen, maar voor de eigen mensen. De Derde Stand, het Patriciaat, is geroepen een duurzaam en evenwichtig economisch kader te scheppen voor de collectieve welvaart – zonder expat in eigen land te worden. De Vierde Stand, het werkende volk, is geroepen productief te zijn in arbeid en gezin – niet alleen voor zichzelf en voor vandaag, maar voor het nageslacht en voor de toekomst. De Vijfde Stand, de inwonende vreemdeling, is geroepen zichzelf te blijven, steeds soeverein en productief in eigen kring – zonder het gastvolk tot last te zijn.

(5) Dat alle individuen zich moeten beperken tot de plichten en talenten die de Voorzienigheid hen heeft toebedeeld. Bankiers en zakenlieden hebben recht op de vruchten van hun vernuft en durf, maar niet op het uitbuiten van de eigen mensen of op inmenging in staatszaken. Wetenschappers, kunstenaars, artiesten en sporters hebben recht op een ongestoorde beroepsuitoefening en gepaste erkenning, maar niet op exorbitante geldsommen of op inmenging in het landsbestuur. Vrouwen hebben recht op huwelijk en moederschap, maar niet op gelijktijdige relatie- en arbeidsexperimenten. Mannen hebben recht op respect als kostwinners en gezinshoofden – en moeten dus in staat worden gesteld kostwinner en gezinshoofd te zijn – maar zij hebben geen recht om naar believen van roeping en gezin te wisselen. Ouderen hebben recht op economische zekerheid, goede zorg en maatschappelijke erkentelijkheid, maar niet op een onevenredig deel van het nationaal vermogen of op overbodige luxes ten koste van jonge mensen die hun leven nog moeten beginnen.

(6) Dat hyper-democratie, waarin iedereen onbeperkt over alles mag, moet en wil ‘meedenken’ en ‘meebeslissen’, niet verenigbaar is met de grote variëteit aan collectieve identiteiten en individuele lotsbestemmingen die binnen elk authentiek volk naast elkaar bestaan. Elke remedie voor de hyper-democratie vergt het beperken van de democratische procesgang tot geëigende kleinschalige sferen – zelfregulerende soevereine kringen – en het beperken van democratisch spreek- en kiesrecht op basis van daadwerkelijk belang, bewezen competentie en effectieve kostenbijdrage. Het is onrechtvaardig religieuze meerderheden ‘democratisch’ te laten bepalen wat de gedragsregels moeten zijn voor andersdenkende minderheden. Het is onrechtvaardig een massa luie armoedzaaiers ‘democratisch’ te laten bepalen hoeveel belasting hardwerkende mensen moeten betalen om in hun onderhoud te voorzien. Het is onrechtvaardig hardwerkende mannen, die gezinnen en families moeten voeden, ‘democratisch’ te dwingen op te draaien voor de onverantwoorde partner- en kinderkeuzes van verwarde en losgeslagen vrouwen. Het is onrechtvaardig een massa jaloerse vreemdelingen ‘democratisch’ te laten bepalen welke ‘rechten’ hen toekomt ten opzichte van geboren en getogen Nederlanders. Het is onrechtvaardig een massa hersenloze consumenten ‘democratisch’ te laten beslissen over het lot van het globale ecosysteem en van miljoenen onschuldige dieren.

(7) Dat alleen een gelijktijdige en volledige toepassing van de Traditionalistische principes van holistische integratie, hiërarchische organisatie en transcendente richting het Nederlandse volk kan toerusten voor het Ernstfall en noodgeval van de actuele Crisis van de Moderne Wereld. De fatale ‘vooruitgang’ van de hyper-democratische Moderniteit en de destructieve ‘vrijheid’ van het Postmoderne cultureelnihilisme kunnen alleen worden uitgebannen na een eerlijke blik in de ontluisterende spiegel van het Traditionalisme. Datzelfde Traditionalisme biedt echter ook het hoopgevende perspectief van een nationale wedergeboorte – een wedergeboorte die kan steunen op de natuurlijke solidariteit, de innerlijke veerkracht en het gezond verstand waarmee het Nederlandse volk in ruime mate is bedeeld door de Voorzienigheid.

Als de oude instituties en de traditionele kwaliteiten van Nederland te zwak blijken te zijn om de aankomende krachtmeting te doorstaan en zich in de nieuwe wereld te handhaven, dan verdient Nederland het eenvoudigweg niet om de Crisis van de Moderne Wereld te overleven. Dan moeten de natuur en de geschiedenis hun loop nemen. Moge de Voorzienigheid het land dan teruggeven aan de zee – en de morele lafheid, het politieke verraad, het sociale onrecht en het culturele vuilnis van het laatste ‘Nederland’ voor eeuwig bedekken. Moge de Voorzienigheid het volk dan een zeemansgraf schenken – in passende herinnering aan het eerste Nederland.

Leave a Reply

Your email address will not be published.