Uit het arsenaal van Hefaistos

Carl Schmitt – een decisionistische deconstructie van het liberaal-normativisme. Boekbespreking van Robert Steuckers’ Sur et autour de Carl Schmitt. Un monument revisité (Lore, 2018)

door Alexander Wolfheze

Nederlandse vertaling van Hoofdstuk 12 uit Rupes Nigra. An Archaeo-Futurist Countdown in Twelve Essays (Londen: Arktos, 2021). Eerder Engelstalig verschenen bij Geopolitica.ru op 10 januari 2019.

Voorwoord: de anatomische les van Carl Schmitt en Robert Steuckers

Zonder macht kan rechtvaardigheid niet bloeien,
zonder rechtvaardigheid vergaat de wereld tot as en stof.

– vrij naar Goeroe Gobind Singh

Eerder is hier al zijdelings aandacht besteed aan bepaalde aspecten van het gedachtegoed van Duits staatsrecht specialist en rechtsfilosoof Carl Schmitt (1888-1985) – dit opstel zal Schmitt’s wetenschappelijke nalatenschap in meer detail bekijken. Aanleiding hiertoe is het recent verschijnen van het nieuwste boek van Belgisch Traditionalistisch publicist Robert Steuckers. Met Sur et autour de Carl Schmitt bijt Steuckers in de Lage Landen de spits af met een eerste substantiële monografie die past bij de recente internationale rehabilitatie van Schmitt’s hoogst originele – en hoogst actuele – gedachtegoed (verg. Benoist, Carl Schmitt actuel). Lange tijd was Schmitt’s gedachtewereld en levenswerk nagenoeg ‘taboe’ door zijn – complexe en daarom gemakkelijk vulgariseerbare – associatie met het Naziregime. Inderdaad werd Schmitt in mei 1933, kort na Hitler’s machtsovername, lid van de NSDAP en ondersteunde hij de autoritaire amputatie van de in zijn ogen – en die van bijna alle Duitsers – ongeneeslijk verrotte Weimar instituties. Inderdaad werd hij na de ondergang van het Derde Rijk door de Amerikaanse bezettingsautoriteiten geïnterneerdi en weigerde hij consistent zich te onderwerpen aan de politiekcorrecte ‘wederdoop’ van semi-verplichte Entnazifizierung: zijn principiële verzet tegen de bezetter kostte hem zijn academische carrière en zijn maatschappelijke aanzien. Die houding werd echter niet ingegeven door groot enthousiasme voor het Naziregime: in Schmitt’s visie schoot dat regime volledig tekort in termen van hogere legitimiteit en historische authenticiteit.ii Schmitt’s weigerde zich na Stunde Null simpelweg in te laten met de nieuwe ideologische Gleichschaltung – en met collaboratie met de bezetter. Ongeacht de exacte mate van Schmitt’s inhoudelijke ‘besmetting’ met de meer virulente uitwassen van het Nationaalsocialisme, blijft het een feit dat Schmitt’s denken en werken in dezelfde naoorlogse ‘quarantaine’ belandde waarin ook het denken en werken van vele andere Europese grote namen werd ‘weggezet’. Zo eindigde hij – net als Julius Evola in Italië, Louis-Ferdinand Céline in Frankrijk, Mircea Eliade in Roemenië, Knut Hamsun in Noorwegen en Ezra Pound in Amerika – in het rariteiten kabinet van de geschiedenis.

Maar zeventig jaar later blijkt dat de na de Tweede Wereld Oorlog tot standaarddoctrine verheven historisch-materialistische mythologie van ‘vooruitgang’ en ‘maakbaarheid’ – de socialistische variant in het ‘Oostblok’ en de liberale variant in het ‘Westblok’ – de Westerse beschaving aan de rand van de ondergang heeft gebracht. Na de val van het Realsozialmus in het Oostblok valt de hele Westerse wereld ten prooi aan wat men het ‘Cultuur Nihilisme’ kan noemen: een giftige cocktail van neoliberaal ‘kapitalisme voor de armen en socialisme voor de rijken’ en cultuurmarxistische ‘identiteitspolitiek’ (de nieuwe ‘klassenstrijd’ van oud tegen jong, vrouw tegen man en zwart tegen blank). Dit Cultuur Nihilisme kenmerkt zich door militant secularisme (vernietiging levensbeschouwelijke structuur), gemonetariseerd sociaaldarwinisme (vernietiging sociaaleconomische structuur), totalitair matriarchaat (vernietiging familiestructuur) en doctrinaire oikofobie (vernietiging etnische structuur) en vindt zijn praxis in de Macht durch Nivellierung mechanismen van de totalitair-collectivistische Gleichheitsstaat (Leisner). Dit Cultuur Nihilisme wordt nog steeds in eerste plaats gedragen door de forever young ‘baby boom’ generatie van rebels without a cause, maar zij plant zich nu voort als shape-shifting ‘vijandelijke elite’ die zichzelf voedt uit steeds weer nieuw uitgevonden ‘onderdrukte minderheden’ (rancuneuze beroeps-feministen, ambitieuze beroeps-allochtonen, psychotische beroeps-LBTG-ers). De macht van deze vijandelijke elite berust op twee onlosmakelijk met elkaar verbonden krachtenvelden: (1) de globalistische institutionele machinerie (de ‘letterinstituties’ – VN, IMF, WTO, WEF, EU, ECB, NAVO) waarmee zij zich onttrekt aan staatssoevereiniteit en electorale correctie en (2) het universalistisch-humanistische discours van ‘mensenrechten’, ‘democratie’ en ‘vrijheid’ waarmee zij zich de ideologische moral high ground toe-eigent. Deze dubbel trans-nationale en meta-politieke machtspositie stelt de vijandelijke elite in staat zich systematisch te onttrekken aan elke verantwoordelijkheid voor de enorme schade die zij toebrengt aan de Westerse beschaving. De door de vijandelijke elite begane misdaden – industriële ecocide (antropogene klimaatverandering, gewetenloze milieuverontreiniging, hemeltergende bio-industrie), hyper-kapitalistische uitbuiting (‘marktwerking’, ‘privatisering’, social return), sociale implosie (matriarchaat, feminisatie, transgenderisme) en etnische vervanging (‘vluchtelingenopvang’, ‘arbeidsmigratie’, ‘gezinshereniging’) – blijven ongestraft binnen een institutioneel en ideologisch kader dat letterlijk ‘boven de wet’ opereert. Het is alleen met een geheel nieuw juridisch kader dat deze straffeloosheid kan eindigen. Carl Schmitt’s rechtsfilosofie levert dat frame: zij biedt een herbezinning op de verloren verbinding tussen institutioneel recht en authentieke autoriteit en op wat daar tussenin hoort te liggen – maatschappelijke rechtvaardigheid. Voor het herstel van deze verbinding benut Schmitt het begrip ‘politieke theologie’: de aanname dat alle politieke filosofie direct of indirect voortvloeit uit al dan niet expliciet ‘geseculariseerde’ theologische stellingnamen. De politieke verplichting om een op immanente rechtvaardigheid gericht institutioneel recht te bevorderen ligt dan in het verlengde van een transcendent – theologisch – onderbouwde autoriteit.

Het is tijd het achterhaalde politiekcorrecte en niet langer houdbare ‘taboe’ op Carl Schmitt’s gedachtegoed te corrigeren en te onderzoeken welke relevantie het kan hebben voor het hier en nu overwinnen van de Crisis van het Postmoderne Westen.iii Robert Steuckers’ Sur et autour de Carl Schmitt laat ons daarbij niet alleen een monumentaal verleden bezoeken – het laat ons ook actuele inspiratie putten uit het machtige ‘Arsenaal van Hefaistos’iv

(*) Naar opzet is dit opstel niet alleen bedoeld als recensie, maar ook als metapolitieke analyse – een bijdrage tot de Nieuw Rechtse deconstructie van de Postmoderne Westerse vijandelijke elite. Het is belangrijk te weten wie deze vijand is, wat hij wil en hoe hij denkt. Carl Schmitt’s gedachtegoed levert een rechtsfilosofische ‘anatomische’ ontleding van de vijandelijke elite – het trekt in die zin definitief de schuif weg onder die elite. Robert Steuckers levert een briljante actualisatie van dat gedachtegoed – Nieuw Rechts in de Lage Landen is hem een dankwoord en felicitatie verschuldigd.

1. De wereld van het Normativisme als wil en voorstellingv

auctoritas non veritas facit legem

[macht, niet waarheid, maakt wet]

Steuckers begint zijn bespreking van het leven en werk van Carl Schmitt met een reconstructie van de cultuurhistorische wortels van de naoorlogse Westerse rechtsfilosofie. Hij herleidt de historisch-materialistische reductie – men zou kunnen zeggen ‘secularisatie’ – van de Westerse rechtsfilosofie tot de Reformatie en de Verlichting (verg. Sunset, 53ff en 367ff). De godsdienstoorlogen van de 16e en 17e eeuw resulteerden in een tijdelijke terugval van de Westerse beschaving tot een ‘natuurlijke staat’ die slechts gedeeltelijk kon worden gecompenseerd door de noodgreep van het klassieke Absolutisme (tweede helft 17e en eerste helft 18e eeuw).vi Dit ‘noodrem’ Absolutisme wordt gekenmerkt door de hooggestileerde personificatie van totaal soevereine monarchistische macht als laatste beschermer van de traditionalistische samenleving tegen de demonische krachten van modernistische chaos: na het wegvallen van de oude zekerheden van de sacrale en feodale orde grijpen ‘absolute’ monarchen in om de ontwrichtende dynamiek van het vroeg mercantiel kapitalisme, de ontluikende burgerrechten beweging en de escalerende tendens naar religieuze decentralisatie te kanaliseren. Cultuurhistorisch kan deze terugval op ‘persoonsgebonden’ auctoritas worden opgevat als een tijdelijke ‘noodmaatregel’: …en cas de normalité, l’autorité peut ne pas jouer, mais en cas d’exception, elle doit décider d’agir, de sévir ou de légiférer. ‘…onder normale omstandigheden speelt [zulk een absolute] autoriteit geen rol, maar in het uitzonderingsgeval moet zij besluiten handelend, overheersend en wetgevend op te treden.’ (p.4) Deze absolutistische ‘noodmaatregel’ is echter slechts lokaal en tijdelijk effectief: de pionierstaten van de moderniteit, zoals Groot-Brittannië en de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, blijven ervan gevrijwaard – ‘semi-absolutistische’ episodes als de Stuart Restauratie en het stadhouderschap van Willem III ten spijt. Zelfs in zijn hartland overschrijdt het Absolutisme al binnen een eeuw zijn houdbaarheidsdatum – de Amerikaanse en Franse Revolutie markeren het einde van het Absolutisme en de definitieve Machtergreifung van de bourgeoisie als nieuwe dominante kracht in de Westerse politieke arena.

De burgerlijk-kapitalistische Wille zur Macht wordt abstract uitgedrukt in een politieke doctrine die gebaseerd op de effectieve omkering van de voorafgaande Traditionalistische rechtsfilosofie (dat wil zeggen van de klerikaal-feodale ‘politieke theologie’): dit nieuwe Normativisme, geconstrueerd rond burgerlijk-kapitalistisch belangen, abstraheert en depersonaliseert de staatsmacht – Thomas Hobbes beschreef haar al als een mythisch-onzichtbare ‘Leviathan’. De cultuur-historische uitwerking van dit Normativisme (verg. Zwitzer, Permafrost) is inmiddels beter bekend dan de rechts-filosofische. Abstractie vindt plaats door ideologisering en depersonalisering door institutionalisering: beide processen zijn gericht op het bevestigen en bestendigen van de nieuwe burgerlijk-kapitalistische hegemonie in de politieke sfeer. Rigide routines en mechanische procedures (‘bureaucratie’, ‘administratie’, ‘rechtstaat’) vervangen de menselijke maat en de persoonlijke dimensie van de macht: concrete macht verandert in abstract ‘bestuur’. L’idéologie républicaine ou bourgeoise a voulu dépersonnaliser les mécanismes de la politique. La norme a avancé, au détriment de l‘incarnation du pouvoir. ‘De republikeinse en burgerlijke ideologie wil het politieke mechanisme depersonaliseren. Zij bevordert normatieve macht ten koste van belichaamde macht.’ (p.4) Het eerste consistente experiment met het Normativisme als Realpolitik eindigt in de Grote Terreur van de Eerste Franse Republiek: het illustreert de totalitaire realiteit die noodzakelijkerwijs voortvloeit uit de consequente toepassing van het do-or-die motto dat het burgerlijk-kapitalistisch machtsproject in zowel formele (republikeinse) als informele (vrijmetselaars) vorm dekt: liberté, égalité, et fraternité ou la mort. De ethische discrepantie tussen de utopische ideologie en praktische applicatie van dat machtsproject wordt pas ideologisch afgedekt – en tot norm verheven – in het 19e eeuwse Liberalisme: het Liberalisme wordt de politieke ‘fabrieksstand’ van de moderniteit. Onder de propagandistische oppervlakte van het Liberalisme – de utopie van ‘humanisme’, ‘individualisme’ en ‘vooruitgang’ – ligt zijn diepere substantie: de met (sociaaldarwinistische) pseudowetenschap gerechtvaardigde economische uitbuiting (‘monetarisatie’, ‘vrije markt’, ‘concurrentie’) en sociale deconstructie (‘individuele verantwoordelijkheid’, ‘arbeidsmarkt participatie’, ‘calculerend burgerschap’) die met wiskundige zekerheid eindigen in sociale implosie (door Karl Marx geanalyseerd als Entfremdung en door Emile Durkheim als anomie). De op lange termijn door het Liberalisme bewerkstelligde ‘superstructuur’ berust op een zeer puristische – en daarmee zeer bestendige – vorm van Normativisme: het Liberalisme heeft daarmee tegelijk de hoogste totalitaire capaciteit van alle modernistische (historisch-materialistische) ideologieën. Zo wijst Aleksandr Doegin in zijn historische analyse, naar het Engels vertaald als The Fourth Political Theory, op deze intrinsieke – logisch-consistente en existentieel-adaptieve – superioriteit van het Liberalisme. …Le libéralisme-normativisme est néanmoins coercitif, voire plus coercitif que la coercition exercée par une personne mortelle, car il ne tolère justement aucune forme d’indépendance personnalisée à l’égard de la norme, du discours conventionnel, de l’idéologie établie, etc., qui seraient des principes immortels, impassables, appelés à régner en dépit des vicissitudes du réel. ‘…Het liberaal-normativisme werkt desalniettemin afpersend, het is zelfs veel dwingender dan de dwang die wordt uitgeoefend door een sterfelijk heerser, want het tolereert geen enkele vorm van gepersonifieerde onafhankelijkheid ten opzichte van zijn eigen ‘norm’ (conventionele consensus, standaard ideologie, politieke correctheid), verheven tot een eeuwig en ongenaakbaar principe dat zich permanent onttrekt aan de wisselvalligheden van de werkelijkheid.’ (p.5) Sociologisch kan de totalitaire superstructuur van het Liberaal-Normativisme worden beschreven als ‘hyper-moraliteit’ (verg. Bauch, Abschied).

De vraag dringt zich op naar de rechtsfilosofische ‘bewegelijkheid’ en de ideologische relativeerbaarheid van deze schijnbaar onwrikbaar in de psychosociale Postmoderniteit verankerde monoliet. Het antwoord op deze vraag ligt in een doorbreken van de event horizon, de ‘waarnemingshorizon’ van de Liberaal-Normativistische Postmoderniteit. Een doorbraak van de ‘tijdloze’ dimensie van het Liberaal-Normativisme is mogelijk via een ‘Archeo-Futuristische’ formule: de gelijktijdige mobilisatie van hervonden oude kennis en nieuw ontdekte kracht levert de benodigde combinatie van voorstellingsvermogen en wilsbeschikking.

2. Door het glazen plafond van het Postmodernisme

ΔΩΣ ΜΟΙ ΠΑ ΣΤΩ ΚΑΙ ΤΑΝ ΓΑΝ ΚΙΝΑΣΩ

[geef me een plaats om op te staan, en ik zal de aarde bewegen]

– Archimedes

Een van de gevaarlijkste ‘kinderziekten’ van de recentelijk in de hele Westerse wereld opkomende Nieuw Rechtse verzetsbeweging tegen de globalistische Nieuwe Wereld Orde is haar onvermogen tot een correcte inschatting van de aard en kracht van de vijandelijke elite. De wijdverspreide (‘populistische’) volkswoede en beginnende (‘alt-right’) intellectuele kritiek die deze verzetsbeweging voeden worden deels gekenmerkt door oppervlakkig pragmatisme (politiek opportunisme) en emotionele regressie (extremistische samenzweringstheorieën). Beide kunnen worden begrepen als politieke en ideologische weerslag van een natuurlijk zelfbehoudsinstinct: in confrontatie met existentiële bedreigingen zoals de doelbewuste etnische vervanging van de Westerse volkeren en de escalerende psychosociale deconstructie van de Westerse beschaving hebben politiek purisme en intellectuele integriteit simpelweg geen prioriteit. Toch is het belangrijk dat Nieuw Rechts deze kinderziekten – met name short cut ideologisch ‘anti-semitisme’ en quick fix politieke ‘islamofobie’ – zo snel mogelijk ontgroeit. Een ‘preventieve zelfcensuur’ met betrekking tot de legitieme cultuurhistorische vraagstukken die vervlochten zijn in de ‘islamofobische’ en ‘antisemitische’ discoursen, zoals afgedwongen door het huidige politiekcorrecte journalistieke en academische establishment, is daarbij uitdrukkelijk niet aan de orde. Nieuw Rechts geeft uitdrukkelijk prioriteit aan authentieke (dus niet slechts legalistische) vrijheid van meningsuiting: zij stelt zich op het standpunt dat politiekcorrecte (zelf)censuur en repressief mediabeleid averechts (letterlijk: ‘extreemrechts’ bevorderend) werken doordat ze het publiek wantrouwen vergroten. Door de flagrante partijdigheid van de systeempers (stigmatiseren van elke rationele kosten-baten analyse van de massa-immigratie, negeren van etnisch-geprofileerde grooming gangs, ‘herinterpreteren’ van islamistische terreur incidenten) en door het shoot the messenger overheidsbeleid ten aanzien van systeemkritische media (fake news projecties, Russian involvement verdachtmakingen, digitale deplatforming) haken mensen massaal af uit de mediale en politieke mainstream. De teloorgang van de klassieke (papieren en televisie) media en de versplintering van het politieke speelveld zijn hiervan slechts de meest oppervlakkige symptomen. Nieuw Rechts, daarentegen, werpt zich nu op als verdediger van door de vijandelijke elite verraden – want voor haar nu overbodige en gevaarlijke – oude vrijheden van pers en meninguiting (verg. Johnson, ‘Freedom’). Nieuw Rechts valt nu de taak toe de door de vijandelijke elite prijsgegeven – neoliberaal verkochte en cultuurmarxistische verraden – Westerse beschaving te beschermen: dat houdt in dat ze een hoge intellectuele en ethische standaard te verdedigen heeft. Een correcte inschatting van de aard en kracht van de vijandelijke elite is daarbij een prioritaire – zelfs voorliggende – opgave: de ‘vijand’ kortweg afdoen als ‘de Islam’ of ‘het Joodse wereldcomplot’ (of beide tegelijk) doet simpelweg geen recht aan deze opgave.

Het correct benoemen van de vijandelijke elite vergt meer dan een simpele – religieus, ethisch en existentieel op zich correcte – verwijzing naar haar ontegenzeggelijk ‘duivelse’ kwaliteit: het absolute kwaad dat zich manifesteert in industriële ecocide, bloeddorstige bio-industrie, etnocidale ‘omvolking’, neoliberale schuldslavernij en matriarchale sociale deconstructie spreekt voor zich (voor een cultuur- en psycho-historische plaatsbepaling van de vijandelijke elite, verg. Alba Rosa, 160ff). Er is meer nodig: het is nodig te komen tot een juridisch-kaderende en politiek-actioneerbare identificatie van de vijandelijke elite. Robert Steuckers analyse van Carl Schmitt’s ‘politieke theologie’ is in dit opzicht van grote toegevoegde waarde: zij levert het intellectuele instrumentarium dat nodig is voor deze – wellicht grootste – opgave van Nieuw Rechts.

3. Het Liberalisme als totalitair nihilisme

le libéralisme est le mal, le mal à l’état pur, le mal essentiel et substantiel

[…het liberalisme is een absoluut kwaad: het kwaad in pure vorm, het kwaad in essentie en substantie] (p.37)

Steuckers analyseert het Liberaal-Normativisme als de default ideology van de vijandelijke elite – de ideologie die haar machtsstatus staatsrechterlijk legitimeert: Le libéralisme… monopolise le droit (et le droit de dire le droit) pour lui exclusivement, en le figeant et en n’autorisant plus aucune modification et, simultanément, en le soumettant aux coups dissolvants de l’économie et de l’éthique (elle-même détachée de la religion et livrée à la philosophie laïque) ; exactement comme, en niant et en combattant toutes les autres formes de représentation populaire et de redistribution qui s’effectuait au nom de la caritas, il avait monopolisé à son unique profit les idéaux et pratiques de la liberté et de l’égalité/équité : en opérant cette triple monopolisation, la libéralisme et son instrument, l’Etat dit ‘de droit’, prétendant à l’universalité. A ses propres yeux, l’Etat libéral représente dorénavant la seule voie possible vers le droit, la liberté et l’égalité : il n’y a donc plus qu’une seule formule politique qui soit encore tolérable, la sienne et la sienne seule. ‘Het liberalisme… monopoliseert (1) het recht (en het recht om recht te spreken) door het [voor eens en altijd] vast te leggen, door geen enkele aanpassing meer toe te laten en door het prijs te geven aan de ‘oplossende’ inwerking van [een ongebreidelde] economie en [een losgeslagen] ethiek (een ethiek die ontsnapt aan een godsdienstig kader en die wordt gekaapt door ‘seculiere filosofie’). Door ten bate van het exclusieve eigen profijt tegelijkertijd alle andere vormen van (2) [niet partij-politieke] volksvertegenwoordiging en (3) [niet-monetaire economische] redistributie te ontkennen en te saboteren, monopoliseert het liberalisme uiteindelijk ook het [volledige] ideële en praktische [discours] van vrijheid, gelijk[waardig]heid [en] billijkheid. Met deze drievoudige monopolie positie kan het liberalisme – via zijn instrument genaamd ‘rechtstaat’ – een claim leggen op universele geldigheid. In zijn eigen ogen vertegenwoordigt de liberale staat aldus de enig mogelijk [en alleenzaligmakende] weg naar recht, vrijheid en gelijkheid. Daarmee blijft er maar één enkele acceptabele politieke formule over: de liberale – en alleen de liberale.’ (p.38) Dit is de achtergrond van door het neoliberale globalisme als universalistisch-absoluut afgespiegelde ‘waarden’ als good governance en human rights. Vanuit Traditionalistisch perspectief vertegenwoordigt het door Steuckers gedefinieerde Liberaal-Normativisme de tastbare politiek-ideologische ‘infrastructuur’ die hoort bij een erboven liggende maar ontastbare cultuur- en psychohistorische ‘superstructuur’ die hier eerder werd aangeduid met het begrip ‘Cultuur Nihilisme’: de geconditioneerde belevingswereld van sociaaleconomische Entfremdung, psychosociale anomie, urbaan-hedonistische stasis en collectief-functioneel malignant narcisme (voor een opsomming van de belangrijkste in deze ‘superstructuur’ samenvallende cultuur-historische fenomenen, verg. Sunset, 9-12). Dit Traditionalistisch perspectief sluit naadloos aan bij Steuckers’ analyse van de tastbare cultuurhistorische inwerking van het Liberaal-Normativisme, dat hij expliciet benoemt als ….[le] principe dissolvant et déliquescent au sein de civilisation occidentale et européenne. …Le libéralisme est l’idéologie et la pratique qui affaiblissent les sociétés et dissolvent les valeurs porteuses d’Etat ou d’empire telles l’amour de la patrie, la raison politique, les mœurs traditionnelles et la notion de honneur… ‘…[h]et principe van ‘oplosmiddel’ en ‘verrotting’ in het hart van de Westerse en Europese beschaving. …Het liberalisme is bij uitstek de ideologie en de praktijk die gemeenschappen verzwakt en die de dragende waarden van de staat of het imperium, zoals vaderlandsliefde, staatsmanschap, traditietrouw en eerbesef, ‘oplost.’ (p.36-7)vii

Vanuit Traditionalistisch perspectief wordt de cultuurhistorische inwerking van het Liberaal-Normativisme bepaald door een groter metahistorisch krachtenveld (de neerwaartse tijdspiraal die door de Hindoeïstische Traditie wordt benoemd als Kali Yuga en door de Christelijke Traditie als ‘Laatste Dagen’). Het historische agency van het Liberaal-Normativisme als drager van een contextueel functionele Wertblindheit komt expliciet tot uitdrukking in Steuckers’ prognose: …une ‘révolution’ plus diabolique encore que celle de 1789 remplacera forcément, un jour, les vides béants laissés par la déliquescence libérale ‘…[het is] onvermijdelijk dat op een zekere dag een nog duivelser revolutie dan die van 1789 de gapende leegte zal opvullen die de liberale verrotting heeft achtergelaten.’ (p.37) Een eerste indicatie van die nog achter het Liberaal-Normativisme verscholen liggende diepere leegte kan worden gevonden in het recente monsterverbond tussen het neoliberalisme en het cultuurmarxisme (in de Nederlandse politieke context is dit verbond al zichtbaar in de tegelijk graai-kapitalistische en diep-nihilistische programma’s van VVD en D66). Steuckers laat zien hoe Schmitt de cultuurhistorisch neerwaarts-regressieve aard van het Liberaal-Normativisme dubbel filosofisch en religieus duidt. Schmitt benoemt de consistente Liberaal-Normativistische begunstiging van pre-Indo-Europees primitivisme (Etruskisch moederrecht, Pelagiaanse ‘katagogische’ theologie) ten koste van de Indo-Europese beschaving (Romeins vaderrecht, Augustiaanse ‘anagogische’ theologie).viii Het Traditionalisme ziet in deze begunstiging een meta-historische beweging richting ‘neo-matriarchaat’: dit verklaart de chronologische samenhang tussen de Postmoderne hegemonie van het Liberaal-Normativisme en typisch Postmoderne symptomen als feminisatie, xenofilie en oikofobie (voor de cultuur-historische ontwikkeling van het neo-matriarchaat, verg. Alba Rosa, 168ff; voor een actueel emic inkijkjein de neo-matriarchale belevingsrealiteit, verg. ‘Eordred’, ‘Against Escapism’). Sociologisch wordt deze fenomenologie zeer treffend beschreven als passend in de ontwikkeling van een ‘dissociatieve samenleving’ (verg. Bauch, Abschied). Het spookbeeld van een absoluut nihilistisch vacuüm werpt zijn schaduw al vooruit in Postmoderne discoursen als ‘open grenzen’ (genocide-op-bestelling), ‘transgenderisme’ (depersonalisatie-op-bestelling), ‘reproductieve vrijheid (abortie-op-bestelling) en ‘voltooid leven’ (dood-op-bestelling) – discoursen die als regelrecht ‘duivels’ zijn te begrijpen vanuit elke authentieke Traditie.ix

Afgezien van de natuurlijke interetnische (feitelijk ‘neo-tribale’) conflicten van de hedendaagse ‘multiculturele samenleving’ (bio-evolutionaire spanningsvelden, interraciale drifttrajecten, postkoloniale minderwaardigheidscomplexen) is het vooral de in toenemende mate diabolische leefwereld van de Liberaal-Normativistische Westerse ‘samenleving’ die het existentiële conflict tussen Westerse autochtonen en niet-Westerse allochtonen voedt. Voor elke traditionele Moslim uit het Midden-Oosten, voor elke traditionele Hindoe uit Zuid-Azië en voor elke traditionele Christen uit Afrika is de Liberaal-Normativistische open society van het Postmoderne Westen niet slechts een abstract (theologisch) kwaad, maar een geleefde (existentiële) gruwel. De gewapende terreur van de islamistische jihad is weliswaar naar (getolereerde) vorm een offensief onderdeel van de ‘verdeel en heers’ strategie van de globalistische vijandelijke elite, maar naar (geleefde) inhoud is hij beter te begrijpen als een defensief mechanisme tegen de godslasterlijke en mensonterende leefrealiteit van het Liberaal-Normativisme. Vanuit Traditionalistisch perspectief zou men kunnen stellen dat een Islamitisch Kalifaat inderdaad een (zeer relatief) ‘beter’ alternatief is voor de Westerse volkeren dan de bestiale ontmenselijking van de zich in het Postmoderne Liberaal-Normativisme aftekenende hellegang.

Hiermee is de grootste vijand van de Westerse volkeren – en tegelijk de gemeenschappelijke vijand van alle volkeren die nog leven naar authentieke Tradities – politiek benoemd: het totalitair nihilistische Liberalisme. Het Liberaal-Normativisme wordt politiek verwezenlijkt door het Liberalisme: het programma van devijandelijke elite wordt vormgegeven door het Liberalisme. Daarbij moet worden aangetekend dat het Liberalisme sinds de Tweede Wereld Oorlog in de Westerse wereld gestaag de status heeft verworven van ‘standaard politiek discours’. Het Liberalisme doordringt, vervormt en ontregelt alle aanvankelijk concurrerende politieke stromingen – Christen Democratie (CDA, CU), Sociaal Democratie (PVDA, SP), Civiel Nationalisme (PVV, FVD) – nu zozeer dat elk spoor van authentieke democratisch-parlementaire oppositie richting een alternatieve maatschappijvorm ontbreekt. Steuckers benoemt dit ‘politicide’ proces als een functie van het ‘ideologische sterilisatie’ vermogen van het Liberalisme. Ook buiten het klassieke partijkartel (in Nederland te definiëren als de standaard bestuurspartijen – VVD, D66, CDA, CU en PVDA) is het Liberalisme nu zozeer tot politieke habitusxgeworden, dat alle overige partijen – grotendeels onwillekeurig, onbewust, onbedoeld – in de rol vallen van controlled opposition. De resulterende ‘consensuspolitiek’ – in Nederland geassocieerd met het letterlijk nivellerende ‘poldermodel’ – wordt in de Westerse wereld conventioneel benoemd als ‘Neoliberalisme’ (datering: Thatcher-Reagan-Lubbers).

4. Het Liberalisme als politicide

Het ‘democratisch gekozen’ parlement is nooit de plaats voor authentiek debat: het is altijd de plaats waar het collectivistisch absolutisme zijn decreten uitvaardigt.

– Nicolás Gómez Dávila

De vorming van Liberalistisch-geleide partijkartels en Liberalistisch-gestuurde consensuspolitiek is grotendeels te wijten aan de simpele praktijk van het parlementarisme: door de techniek van het hyper-democratisch genivelleerde en van de realiteit losgekoppeld ‘debat’ reduceert het parlementarisme alle ‘meningen’ en ‘standpunten’ grosso modo tot hun laagste gemene deler: die van het grotesk materialistische en totaal amorele Liberalisme. In het totaal nivellerend debat vervangt kwantiteit (‘democratie’) kwaliteit, vervangt gevoel (‘humaniteit’) verstand, vervangt abstract ‘bestuur’ (regelgeving, bureaucratie, protocol) concrete rechtvaardigheid en vervangt infantiele impulsiviteit (‘behoefte bevrediging’) het collectieve toekomstperspectief. De ‘koopkracht’ gaat altijd voor nalatenschap, de life style gaat altijd voor duurzaamheid en het relationele experiment gaat altijd voor gezinsbescherming. Het parlementarisme is de politiek-institutionele reflectie van de door het Liberalisme bevorderde collectivistische nivellering: het is de reductio ad absurdum van het politieke bedrijf – politiek als talkshow entertainment. L’essence du parlementarisme, c’est le débat, la discussion et la publicité. Ce parlementarisme peut s’avérer valable dans les aréopages d’hommes rationnels et lucides, mais plus quand s’y affrontent des partis à idéologies rigides qui prétendent tous détenir la vérité ultime. Le débat n’est alors plus loyal, la finalité des protagonistes n’est plus de découvrir par la discussion, par la confrontation d’opinions et d’expériences diverses, un ‘bien commun’. C’est cela la crise du parlementarisme. La rationalité du système parlementaire est mise en échec par l’irrationalité fondamentale des parties. ‘De essentie van het parlementarisme ligt in debat, discussie en publiciteit. Zulk parlementarisme kan zichzelf als waardevol bewijzen in Areopagenxi met rationeel en helder denkende mannen, maar dat is niet langer het geval wanneer daarin rigide ideologische partijen tegenover elkaar staan die beweren de ultieme waarheid in pacht te hebben. Dan is het debat niet langer loyaal: het einddoel van de deelnemers is dan niet langer om door een discussie en een confrontatie van meningen en ervaringen het ‘hogere belang’ te ontdekken. Hierin ligt de crisis van het [huidige] parlementarisme. De rationaliteit van het [huidige] parlementaire systeem faalt door de fundamentele irrationaliteit van de partijen.’ (p.18-9)

Het is onvermijdelijk dat deze zelfversterkende crisis in toenemende mate wordt gevoed door voorheen in de politiek ‘onzichtbare’ maatschappelijke groepen. Het escalerende proces van politieke nivellering voedt zich met de individuele ambities en rancunes van de zelfbenoemde ‘voorvechters’ van zogenaamd ‘gediscrimineerde’ groepen. Wie zoekt zal vinden: er zijn altijd nieuwe ‘ondergepriviligeerde’ groepen (uit) te vinden: jongeren, ouderen, vrouwen, allochtonen, homoseksuelen, transgenders. Het totalitair nihilistische Liberalisme is het uit dit proces resulterende diepste (meest ‘gedeconstrueerde’ en meest ‘gedesubstantialiseerde’) politieke sediment – en sentiment: het is de politieke ‘nul-stand’ die overblijft na het totaal nivellerend ‘debat’, dat wil zeggen na de neutralisatie van alle pogingen tot politiek idealisme, politieke intelligentie en politieke wilsbeschikking.

Het Liberalisme realiseert de politieke (parlementaire, partitocratische) dialectiek van het Liberaal-Normativistische ideologie. In Schmitt’s visie is de dialectische vicieuze cirkel die voortvloeit uit deze ideologie alleen te doorbreken door een fundamenteel herstel van het politiek primaat. Steuckers formuleert dit als volgt: Dans [cette idéologie], aucun ennemi n’existe : évoquer son éventuelle existence relève d’une mentalité paranoïaque ou obsidionale (assimilée à un ‘fascisme’ irréel et fantasmagorique) – …il n’y a que des partenaires de discussion. Avec qui on organisera des débats, suite auxquels on trouvera immanquablement une solution. Mais si ce partenaire, toujours idéal, venait un jour à refuser tout débat, cessant du même coup d’être idéal. Le choc est alors inévitable. L’élite dominante, constituée de disciples conscients ou inconscients de [cette] idéologie naïve et puérile…, se retrouve sans réponse au défi, comme l’eurocratisme néoliberal ou social-libéral aujourd’hui face à l’[islamisme politique]… De telles élites n’ont plus leur place au-devant de la scène. Elles doivent être remplacées. ‘In [deze ideologie] kan een [echte] vijand niet bestaan: zelfs maar het mogelijke bestaan van zulk een [vijand] te suggereren is al ‘bewijs’ van een paranoïde of obsessieve mentaliteit (vast geassocieerd met een irreëel en ingebeeld ‘fascisme’) – …er bestaan alleen maar ‘discussie partners’. Daarmee organiseert men debatten die altijd onveranderlijk eindigen in een oplossing. Maar als die altijd in ideaal [vorm gedachte discussie] ‘partner’ op een dag elk debat weigert, dan vervalt ook meteen dat ideale [‘discussie model’]. Een [existentiële] shock toestand is dan onvermijdelijk. De heersende elite, die bestaat uit bewuste of onbewuste discipelen van [deze] naïeve en kinderlijke ideologie…, zal [dan] geen antwoord op deze uitdaging hebben – net zoals de neoliberale en sociaaldemocratische eurocratie [geen antwoord heeft] op het [politiek islamisme]… Voor zulke elites is geen plaats meer op het [politieke] toneel – zij moeten worden vervangen.’ (p.245)

5. Het Liberalisme als anti-rechtsstaat

Men herkent een Marxistisch systeem daaraan
dat het misdadigers in bescherming neemt en
politieke tegenstanders als misdadigers bestempelt.

– Aleksandr Solzjenitsyn

Ergens in de nasleep van de Machtergreifung van de soixante-huitards heeft de vijandelijke elite het strategische besluit genomen tot vervanging van de inheemse Westerse volkeren.xii De achterliggende logica [van dat besluit] is even helder als meedogenloos: de Europese volkeren hebben historisch bewezen incompatibel te zijn met de Cultuur-Nihilistisch gedefinieerde Moderniteit en worden daarom vermengd met en vervangen door beter manipuleerbare – minder economisch spaarzame, minder sociaal individualistische, minder intellectueel immune – slavenvolkeren. De Europese volkeren blijken demografisch onvruchtbaar onder totalitaire dictatuur, economisch onproductief in urbaan-hedonistische stasis en politiek onbetrouwbaar in schuldslavernij (auteur’s vertaling, Alba Rosa, 159). De etnische vervanging van de Westerse volkeren is echter een riskant project: zelfs de bestgecalculeerde omvolking receptuur en de meest optimale doseringsaanpassing van haar verschillende ingrediënten (massa-immigratie, ethnisch-selectief natalistisch beleid, omgekeerde discriminatie, inheemse economische marginalisatie) vergen een politieke balanceerakte van historisch ongeëvenaarde raffinement. Tot het bereiken van het politieke point of no return (het demografisch-democratisch schaakmat van de Westerse volkeren) loopt de vijandelijke elite het risico dat haar slachtoffer tijdens het amputatie-transplantatie project op de operatietafel ontwaakt uit zijn dubbel psychologische en spirituele verdoving. Tot die tijd is de uiterste houdbaarheidsdatum van de vijandelijke elite een functie van de twee hoofdelementen van die verdoving: (1) het hedonistisch-consumentistische gedefinieerde welzijn-welvaartsniveau en (2) de educatief-journalistiek gemanipuleerde politiekcorrecte consensus. Zodra één van beide elementen onder een bepaalde (steeds neerwaarts glijdende) grenswaarde valt bestaat het gevaar van een vroegtijdig ontwaken van de patiënt. Zo dient een bepaald (steeds kleiner wordend) minimum restant aan verzorgingstaat, arbeidsrecht, politieke pluraliteit en vrije meningsuiting te worden gehandhaafd tot het proces van etnische vervanging is voltooid – pas daarna kunnen de neoliberaal-globalistische idealen van totaal ‘open grenzen’, een totaal immorele open society en een totale sociaaleconomische bellum omnium contra omnes volledig worden geïmplementeerd. De juridische afweging die hiermee nauw samenhangt, is de mate en snelheid van de afbouw van de Westerse rechtsstaat en haar ombouw tot Liberale anti-rechtstaat.xiii Een te snelle en te rigoureuze invoering van die Liberale anti-rechtstaat riskeert een onbeheersbare backlash: een teveel aan wanorde en onrechtvaardigheid in de publieke sfeer riskeert een voortijdige vervreemding en een collectieve tegenreactie bij de inheemse Westerse volkeren.

De in toenemende mate groteske bijwerkingen van de Liberale afbouw van de Westerse rechtsstaat zijn met name problematisch in exclusief aan ‘allochtonen’ verleende privileges en expliciet tegen ‘autochtonen’ gerichte sancties. Het zijn met name deze privileges (‘voorkeursaanstelling’ in overheidsfuncties, ‘doelgroepsubsidies’ uit overheidsmiddelen, ‘voorrangsplaatsing’ in sociale huurwoningen etc.) en deze sancties (‘leenstelsel’ voor Nederlandse studenten tegenover ‘vluchtelingenbeurzen’ voor asielfraudeurs, ‘sociale leningen’ voor Nederlandse daklozen tegenover ‘huisvestingsvouchers’ voor ‘vluchtelingen’, ‘bestuurlijke boetes’ voor Nederlandse uitkeringgerechtigden tegenover standaard sepots voor ‘kansarme asielzoekers’ etc.) die het – als ‘populistisch’ en ‘extreemrechts’ genegeerde – inheemse verzet voeden. De uitheemse bevolking wordt uitgebreid door na-reizende ‘gezinshereniging’ en cultureel-selectief pro-natalistisch inkomensbeleid (onverdiende toegang tot inheemse sociale zekerheid, medische voorzieningen, sociale uitkeringen en kindertoelagen) en tegelijk bediend met extra faciliteiten (effectief: gratis huisvesting, gratis inboedel, gratis medische zorg, gratis rechtsbijstand, gratis taalcursussen) – een uitbreiding en bediening die de inheemse bevolking betaalt. Tegelijkertijd wordt de inheemse bevolking in de tang genomen door een versnelde afbouw van door haar moeizaam opgebouwde beschavingsvormen zoals arbeidsrecht, verzorgingsstaat, vrij toegankelijk onderwijs, vrij toegankelijke zorg en integer bestuur. Zaken zoals een bestaansdekkend minimumloon, een minimummate van inkomenszekerheid, een tegelijk degelijke en betaalbare opleiding, een fatsoenlijk verzorgde oude dag en een rechtvaardige overheid zijn inmiddels al bijna verdwenen uit het collectieve geheugen.

De anti-rechtstaat degradeert haar hardwerkende, consciëntieuze en goedgelovige inheemse onderdanen tot de status melkkoe en slachtvee: zij worden uitgebuit ten voordele van steeds grotere massa’s gewetenloze, werkschuwe, frauderende en criminele ‘migranten’. De inmiddels groteske rechtsongelijkheid treft met name de meest kwetsbare inheemse groepen: loonarbeiders, kleine zelfstandigen, gepensioneerden, gehandicapten, zieken, gebroken gezinnen – hun stem legt de vijandige elite het zwijgen op met pervers-manipulatieve pseudo-Calvinistische leuzen as ‘eigen verantwoordelijkheid’, ‘participatie samenleving’ en ‘marktwerking’. Hun situatie wordt nog het best uitgebeeld door het steeds frequenter dominerende ‘maatschappelijk verkeersbeeld’ van de nederige autochtone fietser die in de stromende regen wordt bekeurd voor zijn kapotte lamp, terwijl naast hem een allochtone drugscrimineel met zijn sportwagen ongemerkt door het rode licht rijdt op weg naar de witwas avondwinkel van de familieclan.

Maar het kan nog veel erger – en velen beginnen dit aan den lijve te ondervinden. Erger is de ervaring van inheemse meisjes en vrouwen: met de cliënten van hun loverboys na schooltijd, met hun rapefugee stalkers tijdens hun studietijd en met hun ‘#metoo’ affirmative action ‘leidinggevenden’ tijdens hun professionele carrière. Meer nog – de bestiale dekolonisatie (Lari 1953, Algiers 1956, Stanleyville 1964, Kolwezi 1978, Air Rhodesia Vlucht 827 1979) en het postkoloniale atavisme (Macías Nguema in Equatoriaal Guinea 1968-79, Moeammar Gaddafi in Libië 1969-2011, Idi Amin in Oeganda 1971-79, Pol Pot in Cambodja 1976-79, Saddam Hoessein in Irak 1979-2003) van de Derde Wereld doen het ergste vermoeden voor de toekomst van de overblijvende inheemse bevolking in een door primitieve Afrikanen en rancuneuze Aziaten gekoloniseerd Nederland. Pervers zijn nu al de bureaucratisch en juridische ervaringen van de aan escalerende ‘allochtone’ verdringing, overlast en criminaliteit blootgestelde ‘autochtone’ bevolking: de machteloze politie die zich verre moet houden van ‘etnisch profileren’, het seponerende openbaar ministerie dat deugdelijk ‘antiracisme’ moet uitstralen, de matriarchale on-rechtspraak die voortvloeit uit de totaler Staat aus Schwäche, de zwijgende journalistiek die politieke correctheid prefereert boven waarheidsvinding – en de politieke doofpot waarin de laatste restanten verantwoordelijkheidszin worden weggepoetst ter wille van het Tefal-gladde imago. Maar het zijn nu juist deze steeds perversere ervaringen van de gewone burger en de steeds absurdere uitwassen van de Liberale anti-rechtsstaat die nu ruimte creëren voor een effectief Westerse verzet tegen de vijandelijke elite. De morele legitimiteit van dat verzet als ‘autoriteit in wording’ kan namelijk uiteindelijk een streep zetten door de schijnbaar wiskundig onbetwistbare rekening van de vijandelijke elite. Voor het Liberalisme staat het stoplicht inmiddels op oranje. De gilets jaunes hebben de gele kaart uitgeschreven – het is nu aan de Westerse volkeren om tijdig de rode kaart uit te schrijven en het Liberalisme definitief van het politieke speelveld over te hevelen naar het justitiële strafbankje.

6. Nieuw Rechts als ‘autoriteit in wording’xiv

Bovendien, gij kent de tijd waarin wij leven,
gij weet dat het uur om uit de slaap te ontwaken reeds is aangebroken.
De nacht loopt ten einde, de dag breekt aan.
Laten wij ons dus ontdoen van de werken der duisternis
en ons wapenen met het licht.

– Romeinen 13:11-12

Het uitgangspunt van de succesvolle eliminatie van het Liberaal-Normativisme als ideologisch model en van het Liberalisme als politieke praktijk is de noodzaak van het identificeren van beide als doodsvijanden van de Westerse beschaving. Voor de Westerse volkeren is de vernietiging van het Liberalisme als politieke machtsfactor een absolute voorwaarde voor het heroveren van hun staatssoevereiniteit en voor het behoud van hun volksidentiteit. Het absolute recht op (over)leven valt daarbij samen met een authentieke verzetsethiek. Dit is de ethische imperatief die geldt bij alle ‘rug tegen de muur’ verzet, zoals verwoord door Marek Edelman, de laatste leider van de Zydowska Organizacja Bojowa (‘Joodse Verzetsorganisatie’) tijdens de Warschau Getto Opstand: We wisten heel goed dat we geen kans hadden om te winnen. We vochten simpelweg om de Duitsers het recht te ontzeggen de tijd en plaats van onze dood te bepalen. We wisten dat we gingen sterven.xv

Nieuw Rechts zou er goed aan doen ter harte te nemen wat Steuckers in dit verband te zeggen heeft over de illusie van een ‘dialoog’ met de vijandelijke elite. Redelijkheid en gespreksbereid eindigen – moeten eindigen – waar men geconfronteerd wordt met existentiële bedreigingen: …l’ennemi n’est pas bon car il veut ma destruction totale, mon éradication de la surface de la Terre: au mal qu’il représente pour moi, je ne peux, en aucun cas et sous peine de périr, opposer des expressions juridiques ou morales procédant d’une anthropologie optimiste. Je dois être capable de riposter avec la même vigueur. La distinction ami/ennemi apporte donc clarté et honnêteté à tout discours sur le politique. ‘…de vijand is [simpelweg] niet goed: hij wenst mijn totale vernietiging – mijn verdwijnen van de aarde. Tegenover het [absolute] kwaad dat hij naar mij toe vertegenwoordigt, kan ik mij geen op antropologisch optimisme gebaseerd juridisch en moralistisch relativisme veroorloven – daar staat voor mij de doodstraf op. Ik moet in staat zijn met eenzelfde kracht terug te slaan. Het onderscheid tussen vriend [en] vijand brengt dus duidelijkheid en eerlijkheid terug in elke politiek debat.’ (p.51)

De Liberaal-Normativistisch denkende en Liberaal politiek bedrijvende vijandelijke elite heeft de oorlog verklaard aan de Westerse volkeren en aan de Westerse beschaving: de Westerse volkeren blijft geen simpelweg andere keuze dan voor hun leven te vechten en zich daarbij te laten leiden door een nieuw-legitieme ‘autoriteit in wording’. De wapenen waarmee Nieuw Rechts deze vijandelijke elite de intellectuele genadeklap kan toedelen zijn te vinden in het arsenaal van Carl Schmitt, zoals het wordt ontsloten in Robert Steuckers’ Sur et autour. Eén van die wapenen is de rechtsfilosofische onderbouwing van het herstel van authentieke Auctoritas.

7. Het Decisionisme als staatsleer

In Gefahr und grosser Noth
Bringt der Mittel-Weg den Tod

– Friedrich von Logau

De rechtsfilosofische zwakte van de vijandelijke elite wordt blootgelegd in Steuckers’ analyse van Schmitt’s basale noties van de noodzakelijkerwijs concrete en persoonlijke dimensie van alle authentieke vormen van legitieme rechtsorde en authentieke autoriteit. De concrete en persoonlijke dimensie van recht en macht wordt het best geïllustreerd in de onvermijdelijke belichaming ervan in de persoon van de rechter: de rechter fungeert als brug tussen abstract-historische wetgeving (wetstekst, jurisprudentie) en concreet-actuele realiteit (gebeurtenis, omstandigheid). La pratique quotidienne des palais de justice, pratique inévitable, incontournable, contredit l’idéal libéral-normativiste qui rêve que le droit, la norme, s’incarneront tous seuls, sans intermédiaire de chair et de sang. En imaginant, dans l’absolu, que l’on puisse faire l’économie de la personne du juge, on introduit une fiction dans le fonctionnement de la justice, fiction qui croit que sans la subjectivité inévitable du juge, on obtiendra un meilleur droit, plus juste, plus objectif, plus sûr. Mais c’est là une impossibilité pratique. ‘De dagelijkse, onvermijdelijke en onbetwistbare praktijk van de rechtspraak is in [volledige] tegenspraak met de ideële hersenschim van het Liberaal-Normativisme waarin het recht – de norm – zich kan realiseren zonder belichaming in vlees en bloed. Door zich voor te stellen dat een ‘absoluut’ recht – los van de persoon van de rechter – [‘objectief’] mogelijk zou zijn, introduceert men een fictie in de rechtsgang: een fictie die laat geloven dat men zonder de onvermijdelijke subjectiviteit van de rechter een beter, rechtvaardiger, zekerder recht verkrijgt. Maar dat is in de praktijk [natuurlijk volledig] onmogelijk.’ (p.5-6) De rechtspraak verloopt noodzakelijkerwijze via een fysieke Vermittler, dat wil zeggen een mens van vlees en bloed, bewust of onbewust doorleeft met waarden en sentimenten, en de rechtsorde neemt noodzakelijkerwijs vorm aan door het specifieke charisma – in de Postmoderne context steeds vaker het anti-charisma – van de rechter. Parce qu’il y a inévitablement une césure entre la norme et le cas concret, il faut l’intercession d’une personne qui soit une autorité. La loi [et] la norme ne peuvent pas s’incarner toutes seules. ‘Omdat er altijd een breuklijn bestaat tussen de [abstracte] norm en de concrete werkelijkheid is de tussenkomst van een belichaamde autoriteit een onvermijdelijke noodzaak. De wet en de norm kunnen [dus] nooit zichzelf belichamen.’ (p.6) Dezelfde concrete en persoonlijke dimensie geldt in de politiek: de door het Liberaal-Normativisme gewenste, gepretendeerde en nagestreefde depersonalisatie, abstrahering, institutionalisering en bureaucratisering van politieke macht is simpelweg onmogelijk. De onvermijdelijke en onmisbare belichaming van politieke autoriteit blijft …le démenti le plus flagrant à cet indécrottable espoir libéralo-progressisto-normativiste de voir advenir un droit, une norme, une loi, une constitution, dans le réel, par la seule force de sa qualité juridique, philosophique, idéelle, etc. ‘…het meest definitieve argument tegen de onverbeterlijke liberaal-progressivistische-normativistische hoop dat er in de toekomst in de werkelijke wereld ooit een recht, norm, wet of bestel zou kunnen bestaan dat gebaseerd is op een [exclusief abstract gedefinieerde] juridische, filosofische of idealistische kracht’ (p.6)

In het Liberaal-Normativistisch gemonopoliseerde ‘politieke bedrijf’ van het Postmoderne Westen zijn rationeel debat en superieure argumentatie echter van geen enkele waarde – hier geldt simpelweg: might is right. L’idéologie républicaine ou bourgeoise a voulu dépersonnaliser les mécanismes de la politique. La norme a avancé, au détriment de l‘incarnation du pouvoir. ‘De republikeinse of burgerlijke ideologie wil het politieke mechanisme depersonaliseren. Zij begunstigt normatieve macht ten koste van belichaamde macht.’ (p.4) De hedendaagse macht van het Liberaal-Normativisme is psychosociaal verankerd in een anti-rationeel matriarchale conditionering die alle gepersonifieerde vormen van authentieke macht simpelweg opheft door een hyper-collectivistische règne de la quantité (Guénon). Dramatische illustraties van deze onverdund matriarchale realiteit zijn te vinden in het West-Europese ground zero van het Postmodernisme: in de ex-natiestaten van het hedendaagse anti-Frankrijk en anti-Duitsland nemen anti-traditie, anti-nationalisme en anti-mannelijkheid nu vorm aan in regelrecht sadomasochistische projecten van zelfverminkende en suïcidale Umvolkung à l’outrance. In deze context is elke vorm van collectivistisch verzet – parlementaire ‘oppositie’ dan wel buitenparlementair ‘activisme’ – tegen de idiocratische en absurdistische uitwassen van Liberaal-Normativisme gedoemd tot falen omdat het blijft steken in pragmatische ‘symptoombestrijding’. Door binnen het matriarchaal-collectivistische (dubbel politiek-institutionele en psycho-sociale) frame van het Liberaal-Normativisme te opereren, fungeren zulke parlementaire oppositie (de AfD in Duitsland, het FvD in Nederland) en zulk buitenparlementair activisme (de Reichbürger in Duitsland, de gilets jaunes in Frankrijk)xvi feitelijk als niets anders dan ‘bliksemafleiders’. Voor de matriarchaal-collectivistische ‘anti-macht’ van het Liberaal-Normativisme bestaat maar één remedie: de patriarchaal-personifieerbare macht van een Traditionalistisch gedefinieerd Decisionisme.

De Decisionistische opvatting van recht en politiek is altijd concreet – dus ook fysiek en persoonlijk. Rechtsfilosofisch gaat zij uit van de noodzaak van fysieke bescherming van de geografisch en etnisch concrete realiteiten van staat en volk. In het Decisionisme prevaleert de ‘aardse’ realiteit boven de abstracte ‘norm’: das Recht ist erdhaft und auf Erde bezogen. Metapolitiek gaat het uit van de noodzaak van belichaamde autoriteit bij onvoorziene fysieke calamiteiten zowel als uitwassen van ‘normatieve’ macht. Hier geldt: effectief ingrijpen tegen existentiële bedreigingen van staat en volk (Ausnahmezustand, Ernstfall, Grenzfall) vergt gepersonifieerde autoriteit. Deze hoogste bevelsautoriteit is gebaseerd op een (tijdelijke) schorsing (eigenlijk: correctie) van het (normatieve) recht door zijn (tijdelijke) belichaming: zij moet zich doen gelden wanneer rechtsorde, staatsgezag en volksbestaan fundamenteel worden ondermijnd of wankelt. …En cas de normalité, [cet] autorité peut ne pas jouer, mais en cas d’exception, elle doit décider d’agir, de sévir ou de légiférer. ‘…Onder normale omstandigheden staat [deze] autoriteit buiten het [maatschappelijk] speelveld, maar in het uitzonderingsgeval moet zij besluiten handelend, overheersend en wetgevend op te treden.’ (p.4) Een dergelijke ‘nood autoriteit’ grijpt in bij van buiten komende bedreigingen (natuurramp, invasie) en bij van binnen komende crises (opstand, verraad). In Traditionele samenlevingen is deze gepersonifieerde autoriteit altijd institutioneel beschikbaar en wel als een ‘reserve functionaliteit’ die voortvloeit uit een sacraal ambt. De – door verkiezing of erfopvolging geregelde – Monarchie is de institutie die deze reserve functionaliteit vertegenwoordigde in premoderne Westerse samenlevingen. De sacrale aard van de hoogste bevelsautoriteit is een afgeleide van de transcendente (en dus ook anagogische) opvatting van staat en volk die overheerst in alle premoderne samenlevingen. De rechtsfilosofie van Carl Schmitt – geïnspireerd door de Traditionalistisch-Katholieke staatsleer van Donoso Cortésxvii – houdt vast aan dit sacrale element in haar transcendentale definitie van het agglomeraat staat-volk-samenleving als Unitas Ordinis, ‘geordende eenheid’, Societas Civiles, ‘beschaafde samenleving’, en Corpus Mysticum, ‘mystiek lichaam’: als zodanig kan dit agglomeraat nooit volledig door politieke instituties worden omvat. De man die door het lot is voorbestemd het leven van het mysterieuze schepsel staat-volk-samenleving te verdedigen moet worden gezien als drager van een heilige roeping van de hoogste orde.

In de Traditionalistische visie wordt het agglomeraat staat-volk-samenleving dus opgevat als een levend organisme en een historische lotsgemeenschap met mystieke meerwaarde waaraan de politiek zich moet aanpassen en dat door de politiek gediend moet worden. …La peuple… n’est pas chose formée (par une volonté humaine et arbitraire) mais fait empirique et n’est jamais ‘formable’ complètement; il restera toujours de lui un résidu rétif à tout formatage, un reste qui échappera à la volonté de contrôle des instances dérivées de certaines ‘Lumières’… La souveraineté populaire ne peut être entièrement représentée (par des députés) car alors une part plus ou moins importante de sa présence concrète est houspillée hors des institutions de représentation, lesquelles ne représent[e]nt plus que les intérêts ou des réalités fragmentaires. ‘…Het volk… is geen (door menselijke wil en naar menselijke discretie) ‘maakbaar’ ding, maar een empirisch gegeven dat nooit helemaal ‘kneedbaar’ kan zijn: er blijft altijd een ondeelbaar residu over dat elke ‘maakbaarheid’ weerstaat, een restant dat ongrijpbaar blijft voor de controle instanties die zich baseren op het ‘verlichtingsdenken’… Volkssoevereniteit [en democratisch mandaat kunnen] nooit volledig representatief zijn via ‘afgevaardiging’ want een groter of kleiner deel van de concrete presentie [van het volk] blijft altijd uitgesloten van de institutionele vertegenwoordiging, [een vertegenwoordiging] die noodzakelijkerwijs slechts fragmentarische belangen en realiteiten weerspiegelt.’ (p.33) De Traditionalistische definitie het agglomeraat staat-volk-samenleving ligt besloten in de visie van …la ‘nation unie’, non mutilée par des dissensions partisanes, donc une nation tournant ses forces vives vers l’extérieur, et non pas vers sa seule sphère interne en y semant la discorde et en y désignant des ennemis, provoquant à terme rapide l’inéluctable implosion du tout. La Nation comme l’Eglise doit être un coïncidentia oppositorum : elle doit faire coïncider et s’harmoniser toutes les forces et différences qui l’irriguent, en évitant les modi operandi politiciens qui sèment les dissensus et ruinent la continuité étatique… ‘…de ‘verenigde natie’, niet verminkt door partijstrijd, dus een natie die haar vitale kracht naar buiten richt, en niet alleen maar naar binnen, waar ze onenigheden en vijanden schept en daarmee op korte termijn onvermijdelijk uitloopt op een totale implosie. Net als de Kerk dient de Natie een coïncidentia oppositorum te zijn: zij moet alle krachten en verschillen die haar voeden met elkaar samenbrengen en harmoniseren. Zij moet daarbij [‘partijdige’], gepolitiseerde modi operandi vermijden die [maatschappelijke] tweedracht veroorzaken en die de continuïteit van de staat ondermijnen…’ (p.38)

Hieruit vloeit de dubbel theologische en rechtsfilosofische noodzaak voort van een boven-democratische en boven-seculaire staatsmacht die doorlatend is naar onder (aardwaarts) en naar boven (hemelwaarts) en die garant staat voor de historische continuïteit van de door haar vertegenwoordigde natie(s). Een permanentingebouwde Decisionistische ‘reserveoptie’ – (tijdelijke) ‘dictatoriale’ Ernstfall autoriteit – is een noodzakelijk deel van die staatsmacht. In de Traditionalistische rechtsfilosofie van het Christelijke wereld wordt deze reserveoptie echter altijd gekaderd – en ingeperkt – door het bovenliggende transcendente principe van Caritas, expliciet uitgewerkt in de staatsleer van de Katholiek Triade: Gemeenschap, Solidariteit, Subsidiariteit. Caritas: de op het Christelijk ‘antropologisch pessimisme’ gebaseerde ethische noodzaak en vrome praktijk van grootmoedigheid met alles wat hulpbehoevend is op Aarde. Dat zijn eerst en vooral zwakkere, ongelukkige en handelingsonbekwame mensen – kinderen, ouderen, vrouwen, armen, zieken, geesteszieken, gehandicapten en stervenden. Maar het zijn ook de dieren en planten die niet kunnen spreken en die aan de mens onderworpen zijn. Noblesse oblige. Binnen de Traditionalistische rechtsfilosofie van het Christelijke wereld was de Monarchie de hoogste natuurlijke en legitieme drager van de Decisionistisch gedefinieerde Auctoritas: …les familles royales, qui incarnent charnellement les États dans l’Ancien régime, offrent de successions de monarques, différents sur le plan du caractère et de la formation, permettant une plus grande souplesse que les régimes normatifs et normateurs. Elles permettent la continuité dans l’adaptation et le changement, apportés par les héritiers de la lignée. En ce sens, les monarchies constituent des contrepoids contre le déploiement purement technique de la raison normative, qui fait basculer les Etats dans l’abstraction et apportent, in fine, la dictature. ‘…koninklijke families, die ten tijde van het [Absolutistische] ancien régime de staat zelf letterlijk belichamen, bieden een [continue] erfopvolging van [steeds nieuwe generaties] monarchen die verschillen in karakter, opvoeding en opleiding: ze bieden een [‘ingebouwde’ en] veel grotere flexibiliteit dan ‘normatieve’ en ‘normerende’ [democratisch-liberale] regimes. In die zin bieden monarchieën een tegenwicht voor het puur technocratische bewind van de normatieve ‘rede’ die staten tot ‘statische’ abstractie, en uiteindelijk tot dictatuur, doet vervallen.’ (p.36) Onder de Monarchie postuleert het principe van Subsidiariteit een aanvullende en afgeleide rol voor de ‘geprivilegieerde’ – correcter: door Pflicht zur Tat verantwoordelijkheid dragende – instituties: Clerus en Adel. Al deze Traditionele instituties werden geacht hun natuurlijke en legitieme verantwoordelijkheden te nemen vanuit een existentiële kwaliteit die onbestaanbaar is in Liberaal-Normativistische moderniteit, een kwaliteit die nog het best tot uitdrukking komt in bepaalde – grotendeels onvertaalbare – begrippen uit ‘aristocratischer’ talen: solemnidad, gravedad, Haltung, Würde. Steuckers wijst in dit verband op de ‘Romeinse Vorm’ die vervat ligt in deze existentiële oriëntatie, een geaardheid die grotendeels uit de van origine Rooms-Katholieke Kerk verdween met de 20e eeuwse aggiornamenti die worden geassocieerd met het Tweede Vaticaans Concilie (1962-65). Deze Romeinse Vorm ziet …l’homme… comme un être combattant, un être sans cesse préoccupé de limiter le chaos naturel des choses, de donner forme au réel, de maintenir les continuités constructives léguées par l’histoire… ‘de mens… als strijdend wezen, als wezen dat verwikkeld is in een onophoudelijke strijd met de natuurlijke chaos van de wereld, [geroepen] om vorm te geven aan de [hem omringende] realiteit [en] om de construerende continuïteiten in stand te houden die zijn historische nalatenschap zijn…’ (p.41)

Deze Romeinse Vorm wordt gedeconstrueerd door het valse ‘antropologisch optimistische’ Liberaal-Normativistisme waarin de ‘maakbare’ – kosmologisch ‘autonome’, zondeloos ‘vrije’, moreel ‘zelfbeschikkende’ – moderne mens zich los denkt van en ontheven acht aan de Goddelijke Schepping, de Goddelijke Orde en de Goddelijke Voorzienigheid. Het Liberaal-Normativisme biedt niets – kan niets bieden – dat de afgeschafte Romeinse vorm vervangt: het Liberaal-Normativisme is een exclusief negatieve ideologie die alleen maar plaats heeft voor ontkenning, deconstructie en vernietiging. Politiek gesproken is het de abdicatie van Fortitudo, ‘standvastigheid’, (bestuurlijke chaos, juridisch vacuüm), economisch gesproken is het de abdicatie van Temperantia, ‘gematigdheid’, (materialisme, consumentisme), sociaal gesproken is het de abdicatie van Castitas, ‘kuisheid’ (publieke feminisatie, private immoraliteit) en psychologisch gesproken is het de abdicatie van Humilitas, ‘nederigheid’ (grootheidswaanzin, narcisme). In de zin van Carl Schmitt’s politische Theologie kan het Liberaal-Normativisme dus worden opgevat als een politieke toepassing van theologisch antinominalisme.

8. Het antinominalistische project van de vijandelijke elite

errare humanum est, perservare est diabolicum

‘een vergissing is menselijk, erin volharden is duivels’

Het Liberaal-Normativisme is volledig onverenigbaar met elke positieve (eudemonische, anagogische) – laat staan Traditionalistische (holistische, Decisionistische) – staatsleer en rechtsfilosofie. Door zijn antinominalisme – zijn pretentie boven de Goddelijke Orde en de Goddelijke Wet te staan – plaatst het zich buiten en beneden elke transcendentaal geankerde staatsleer en rechtsfilosofie. In de woorden van Robert Steuckers: Le normativisme se place en dehors de tout continuum historique puisque la norme, une fois instaurée, est jugée tout à la fois comme un aboutissement final et comme indépassable et, en théorie, le normativisme exclut toute dérogation au fonctionnement posé une fois pour toutes comme ‘normal’, même en cas d’extrême danger pour les choses publiques. ‘Het normativisme plaatst zich buiten elke historische continuïteit aangezien zijn norm, zodra zij als zodanig is geïnstalleerd, wordt gezien als noodzakelijk en onovertrefbaar eindresultaat. Strikt gesproken sluit het normativisme elke soort vrijstelling uit van het eenmalig als ‘normaal’ vastgestelde functioneren [van de staat], zelfs wanneer het algemeen belang in buitengewoon gevaar verkeerd.’ (p.35) De epistemologische en ontologische ‘stalen kooi’ van het Liberaal-Normativisme sluit zich met wiskundige zekerheid en in haar doctrinaire volmaaktheid sluit zij elke correctieve mogelijkheid uit. In dit verband benoemt Steuckers het liberaal-normativistische legalisme als het ultieme arcanum van de Westerse Postmoderniteit: het farizeïsch legalisme garandeert de (mentaal-preventieve) ‘deconstructie’ van elk authentiek societas perfecta visioen. De Decisionistische (pragmatische, flexibele, tijdelijke) Auctoritas die is ingebouwd in elke Traditionalistische staatsleer en rechtsfilosofie wordt onmogelijk.

In het hoofdstuk La décision dans l’oeuvre de Carl Schmitt, ‘Het besluit in het werk van Carl Schmitt’, geeft Steuckers een precieze analyse van Schmitt’s intellectuele Werdegang. Hij wijst daarbij op de frappante parallellie tussen Schmitt’s intellectuele ontwikkeling en de 20e eeuwse ontstaansgeschiedenis van de Liberaal-Normativistische epistemologisch-ontologische ‘stalen kooi’. De drie fasen die Steuckers onderscheidt in Schmitt’s werk en leven kunnen feitelijk worden geïnterpreteerd als drie fasen in het antinominalistische project van de vijandelijke elite: drie fasen in de opbouw van de Liberaal-Normativistische totalitaire dictatuur die haar voltooiing nadert in de Westerse Postmoderniteit. Ieder van deze drie fasen wordt door Steuckers genoemd naar de historische functie die ‘beslisser’ – als symbolische personificatie van de macht – heeft gedurende die fase. In het kader van de in Steuckers’ hoofdstuk beoogde ‘kleine anatomie van de ideologie van de vijandelijke elite’ is het nuttig deze drie ‘beslissers’ kort de revue te laten passeren aan de hand van zijn eigen geïmproviseerd – kunstmatig maar probleemstellend – tijdschema.

(1) De fase van de Beschleuniger, de ‘versneller’, ofwel de veertig jaar tussen twee pregnante jaartallen in de Westerse geschiedenis: 1905 met de eerste militair-politieke overwinning van een niet-Westerse op een Westerse grootmacht (Russisch-Japanse Oorlog) en de ‘constitutionalisering’ van de laatste Traditioneel Westerse autocratie (Eerste Russische Revolutie), en 1945 met de definitieve militair-politieke overwinning van de klassiek-moderne natiestaat (Lebensraum, Asmogendheden) door het laat-moderne transnationalisme (Grossraum, Amerikaanse en Sovjet supermachten).xviii Deze fase wordt getypeerd door een ‘ingenieursideologie’ die een technische machtsversnelling mogelijk maakt, zowel in de zin van chronologische doorbraak als ruimtelijke uitbraak. Daarbij drukt beginpunt ‘1905’ een dubbel breekpunt uit met significante machtsexpansies op zowel technisch vlak (onderzeevaart, luchtvaart, ethercommunicatie, spectrumanalyse) als cognitief vlak (Einstein’s annus mirabilis, de Weber These, de Saussure’s semiotiek, Durkheim’s sociale feiten analyse). De technische overwinning op de klassiek-moderne natiestaat gedurende deze fase begint met versnelling van maritieme hegemonie (1905 markeert met de tewaterlating van de Dreadnought het begin van de Naval Arms Race) en eindigt met een doorbraak naar letterlijk bovenaardse macht: de lancering van V-2 Wunderwaffe nummer MW18014 op 20 juni 1944 markeert het begin van het ruimtetijdperk en de Trinity Test van 16 juli 1945 markeert het begin van het atoomtijdperk. Het is ironisch dat het streven naar revolutionaire en transformatieve vormen van macht het meest ideologisch expliciet tot uitdrukking kwamen bij de geopolitieke verliezers van de 20e eeuw, namelijk in het Italiaanse Futurisme en in het Duitse Technisch-Idealisme (verg. Sunset, 237). Steuckers wijst op het feit dat Schmitt’s rechtsfilosofische analyse van de economisch-technologisch gemotiveerde Beschleuniger vooral moet worden begrepen als uitdrukking van een nieuwe ‘titanische’ ontologie die ligt achter het Duitse Technisch-Idealisme, dat wil zeggen achter dezelfde ‘spectrale’ spiritualiteit die bespeurbaar is in beruchte technocraten van het Derde Rijk als Albert Speer en Wernher von Braun. De Duitse Technisch-Idealistisch doelstelling van transformatieve Beschleunigung kenmerkt ook de gelijktijdige filosofische verkenningen Martin Heidegger.xix Hierbij zij aangetekend dat de zoektocht naar een uitweg uit de doodlopende straat van de Westerse Postmoderniteit zeer gebaat zou zijn bij een systematische revaluatie van de ideële inhoud van het Duits Technische-Idealisme – een revaluatie die veel interessanter zou zijn dan de eindeloos herkauwde ideologische weging ervan. Bij die revaluatie kan de Duits Technisch-Idealistische nadruk op een productieve (kwalitatief beoordeelde), in plaats van een commerciële (kwantitatief beoordeeld), economie en op een exploratieve, in plaats van een utilitaire, wetenschap als uitgangspunt dienen.

(2) De fase van de Aufhalter, de ‘vertrager’, ofwel de veertig jaar tussen de Götterdämmerung van het Duits Technisch-Idealisme en de Promethium Sky over Hiroshimaxx van 1945 en 1985, het jaar van de dood van Carl Schmitt. 1985 is ook symbolisch significant als jaar na George Orwell’s 1984 en als point of no return in de antropogene aardopwarming – het markeert het punt waarop de Postmoderne ‘val in de toekomst’ (Sloterdijk, Die schreckliche Kinder) onvermijdelijk wordt en waarop alle ‘vertraging’ strategieën falen. Deze fase wordt getypeerd door een ‘vertragend’ achterhoedegevecht van de (politieke, sociale, culturele) traditie-instituties van de Westerse beschaving tegen het overmachtige (dubbel technisch-industrieel en psycho-sociaal gemobiliseerde) proto-globalisme dat in 1945 definitief de overhand krijgt. Gedurende deze fase worden deze traditie-instituties (Monarchie, Kerk, Adel, Academie) steeds verder teruggedrongen in hun rol als Katechon. Als Aufhalter vertegenwoordigt de Katechon het ‘beschavingschild’ waarmee elke authentieke Traditionale gemeenschap is toegerust (voor het thema Katechon in de Nederlandse context, verg. Alba Rosa, 103ff). Le katechon est le dernier pilier d’une société en perdition; il arrête le chaos, en maintient les vecteurs la tête sous l’eau. ‘De katechon is de laatste pijler van een instortende maatschappij: hij houdt de chaos tegen door de vectoren [ervan] het hoofd onder water te drukken.’ (p.10). Gedurende deze fase worden de wortels van het staatsrecht en de rechtsfilosofie afgesneden: hun authentieke Ortungen (zoals uitgedrukt in Schmitt’s adagium Das Recht ist erdhaft und auf die Erde bezogen) worden opgeheven in een planetair proces van ontworteling, de-territorialisatie en de-lokalisatie. Gedurende deze fase zijn de Katechon instituties niet meer in staat dit letterlijk alles-mobiliserende maar teleologisch negatieve proces van globalisatie te stoppen – zij hebben alleen nog maar een remmende functie.xxi De politieke weerslag van dit cultuur-historische proces is te vinden in de doelbewuste globalistische sloop van de natiestaat: staten en volkeren verliezen hun soevereine rechten en hun authentieke identiteiten. Het geopolitieke krachtenveld staat in toenemende mate in het teken van de mobiel-makende, vloeiend-makende en grens-overschrijdende thalassocratie: de door ‘geld getijden’ alles-economiserende ‘zeemacht’ die zich geleidelijk uitspreid vanuit de haar Atlantisch-Angelsaksische kerngebied (voor een uitwerking van het thema ‘thalassocratie’, verg. Wolfheze, Rupes Nigra, Hoofdstuk 11). Globalistische fata morgana’s zoals ‘universele mensenrechten’, ‘internationaal verdragen’, ‘vrije markt mechanismen’ en ‘open grenzen’ worden verheven tot politiek richtinggevende normen. L’horreur moderne, dans cette perspective généalogique du droit, c’est l’abolition de tous les loci, les lieux, les enracinements, les im-brications. Ces dé-localisations, ces Ent-Ortungen, sont dues aux accélérations favorisées par les régimes du XXe siècle, quelle que soit par ailleurs l’idéologie dont ils se réclamaient. ‘De moderne verschrikking die zich uitdrukt in deze genealogie van het recht is de afschaffing van alle loci – alle plaatselijkheid, alle worteling, alle ommuring. Die ‘de-placeringen, die Ent-Ortungen, vloeien voort uit de versnellingen die worden nagestreefd door alle 20e eeuwse regimes, ongeacht de [formele] ideologische [discoursen] die zij voor zichzelf opeisen.’ (p.10)

(3) De fase van de Normalisateur, de ‘normalisator’, kan grosso modo worden gelijkgesteld met die van het Postmodernisme. In deze tijd is de structurele omkering van de traditionele instituties en waarden van de Westerse beschaving in essentie voltooid. De politiekinstitutionele en rechtsfilosofische rol van de Katechon, die zich voorheen richtte naar het positieve (anagogische) traject van de Westerse Traditie, wordt nu omgekeerd overgenomen door de ‘normalisator’, dat wil zeggen de politiekinstitutionele en rechtsfilosofische ‘antichristus’ die zich richt naar de negatieve (katagogische) norm van de globalistische Postmoderniteit. Dit is de fase van het volgroeide Liberaal-Normativisme. Steuckers wijst op de ‘Weimar Standaard’ als beginstand van het Liberaal-Normativisme: deze standaard is als het ware het ‘heilige’ referentiepunt en het ideaal van de seculair-burgerlijke Liberalisme. De thalassocratische ‘Nieuwe Wereld Orde’ (geëffectueerd door ‘letterinstituties’ als VN, IMF, WEF, EU, NAVO) implementeert deze ‘Weimar Standaard’ op globale schaal, meeliftend op technische (digitale, virtuele) innovaties die ‘grensoverschrijdende’ producten en diensten direct koppelen aan ‘grensoverschrijdende’ wensen en emoties (world wide web, social media, virtual reality). Instabiliteit wordt hier tot standaard modaliteit in alle levenssferen. In de politieke sfeer overheersen ‘open grenzen’. In de sociale sfeer overheersen ‘open relaties’. In de psychologische sfeer overheerst open access: relaties vervallen tot rollenspel, interacties tot narcistische egocommunicatie en intimiteiten tot pornosfeer. In de culturele sfeer overheersen open sources: kennis vervalt tot resource management en publiciteit tot (b)log activity – Schmitt gebruikt de term Logbücher. Het spirituele wegsmelten van de Westerse beschaving in een bijna letterlijke nieuwe Age of Aquarius is een feit. Tegen deze achtergrond wordt de rol van de ‘normalisator’ begrijpelijk. La fluidité de la société actuelle… est devenue une normalité, qui entend conserver ce jeu de dé-normalisation et de re-normalisation en dehors du principe politique et de toute dynamique de territorialisation. Le normalisateur, troisième figure du décideur chez Schmitt, est celui qui doit empêcher que la crise conduirait à un retour du politique, à une re-territorialisation de trop longue durée ou définitive. La normalisateur est donc celui qui prévoit et prévient la crise. ‘De vloeibaarheid van de huidige maatschappij… is tot ‘norm’ geworden: het [dialectische] spel van de-normalisatie en re-normalisatie wordt permanent [versneld] – politieke primaat en territorialisatie dynamiek worden buiten de deur gehouden. De ‘normalisator’, de derde avatar van de ‘beslisser’ bij Schmitt, is degene die moet voorkomen dat er een crisis optreedt die een te langdurige en te definitieve terugkeer voorkomt van politieke macht en van her-territorialisatie. De ‘normalisator’ is dus degene die de crisis voorziet en voorkomt.’ (p.14) Feitelijk is de ‘normalisator’ degene die de Liberaal-Normativistische anti-orde in stand houdt en degene die voorkomt dat het Ernstfall wordt erkend en dat de noodtoestand wordt uitgeroepen. Religieus geïnterpreteerd is dit de klassieke functie van de ‘anti-christus’. Deze ‘normalisator’ is nu belichaamd in de vijandelijke elite van het Postmoderne Westen. De functionaliteit van de vijandelijke elite als ‘normalisator’ verklaart de extreme vormgeving van haar antinominalistische project: institutionele oikofobie, rabiate demofobie, politiekcorrect totalitarisme, Orwelliaanse censuurpraktijk, matriarchaal ‘anti-recht’, idiocratisch ‘anti-onderwijs’, sociale deconstructie en etnische vervanging.

9. Het Decisionistisch alternatief

In the beginning of a change the patriot is a scarce man,
and brave, and hated and scorned.
When his cause succeeds, the timid join him,
for then it costs nothing to be a patriot.

– Mark Twain

Een antwoord op de vraag of de snelgroeiende Nieuw Rechts beweging in de zwaargehavende natiestaten van het Westen politiek in staat is om de globalistische Nieuwe Wereld Orde in haar oude thuisland te vernietigen hangt af van haar metapolitiek – filosofisch, ideologisch – vermogen om uit te breken uit het frame van de Postmoderniteit, namelijk de eerder benoemde ‘stalen kooi’ van het Liberaal-Normativisme. Het is binnen het beperkte kader van dit opstel onmogelijk deze problematiek uitvoerig te bespreken – hier kan alleen een indicatie worden gegeven van de richting waarin dit vermogen moet worden gezocht.

Martin Heidegger wees al op de psychosociaal conditionerende inwerking van de ontologische kwaliteit van de Westerse Moderniteit. Het Liberaal-Normativisme kan worden gedefinieerd als een psychosociale weerspiegeling van deze ontologische kwaliteit, die door Heidegger wordt benoemd als belichaamd in het Modern-Westerse Gestell, ofwel ‘technisch frame’. Jason Jorjani wijst op de noodzaak van een expliciete heroriëntatie op de Techne als autonome en zelfscheppende kracht achter dit Gestell: alleen een nieuw technisch-idealistisch ‘door-denken’ van de Techne geeft grip op de psychosociale dynamiek van het Gestell. Jorjani heeft een begin gemaakt met dit door-denken: zijn Archeo-Futuristische benadering omvat de Techne en breekt daarmee door het epistemologische plafond van het historisch-materialisme. Jorjani’s uitbraak uit de historisch-materialistische discursieve dialectiek brengt een dodelijke slag toe aan de erop gebaseerde Liberaal-Normativistische ideologie, mits deze doorbraak tot in zijn laatste (politieke, economische, sociale, culturele) consequenties wordt uitgebuit. Hier is Carl Schmitt’s rechtsfilosofisch gedachtegoed hoogst relevant: het biedt de mogelijkheid tot een Archeo-Futuristische deconstructie van het Liberaal-Normativisme in politieke en juridische zin. Het levert een ‘breekijzer’ om uit te breken uit de politiek-juridische ‘stalen kooi’ van de Liberaal-Normativistische anti-rechtstaat. Dit breekijzer is het door Carl Schmitt’s rechtsfilosofie gelegitimeerde Decisionisme. Tegenover de (abstracte, deconstructieve) discursieve dialectiek van het Liberaal-Normativisme stelt Carl Schmitt de (concrete, constructieve) Realdialektik van het Decisionisme. Het Decisionisme keert terug tot de habitus van het Ordnungsdenken en herstelt de authentieke – want flexibele, pragmatische – tegen-norm van de Obrigkeitsstaat. Het Decionisme biedt Nieuw Rechts een Archeo-Futuristische gevalideerde deconstructie van het Liberaal-Normativisme.

Steuckers’ reconstructie van Schmitt’s rechtsfilosofie levert de bouwstenen van een nieuw Archeo-Futuristisch gekaderd Decisionisme als remedie voor het Liberaal-Normativisme. Een Archeo-Futuristisch vormgegeven Decisionisme zal zich moeten oriënteren op de institutionele en rechtsfilosofische Westerse Traditie: Tout avenir doit être tributaire du passé, être dans sa continuité, participer d’une perpétuation faute de quoi il ne serait qu’une sinistre farce, un projet éradicateur et, par là même, criminel. ‘Iedere toekomstvisie moet zichzelf kennen als erfgenaam van het verleden en als [drager van historische] continuïteit: anders is zij niets anders dan een sinistere farce, een vernietigingsproject en – daarmee – een misdaad.’ (p.60-1) Tegelijk is echter een aanzienlijk voorbehoud te maken: Steuckers wijst op de noodzaak van een pragmatische applicatie van het Decisionisme in de eigentijdse context: …il y a… deux dangers à éviter, celui de caricaturer la tradition, [comme] éloigné[e] de tout véritable souci du…’ politique politique’, et celui de l’abandonner au profit de maigres schémas normativistes. ‘… twee gevaren moeten worden vermeden: [ten eerste] een karikatuur van de traditie, als losstaand van elk effectieve zorg om… een [altijd pragmatische] ‘politieke politiek’, en [ten tweede] een loslaten van de traditie ten gunste van magere normativistische schemaatjes.’ (p.63) Er kan dus geen sprake zijn van een neoreactionaire terugkeer naar achterhaalde vormen van Decisionisme: …les régimes pré-libéraux… étaient plus stables sur le long terme, [m]ais… on ne pourra pas les restaurer sans d’effroyables bains de sang, sans une sorte d’apocalypse. [On] doit dès lors éviter l’enfer sur terre et œuvrer au maintien des stabilités politiques réellement existantes. ‘… de preliberale regeringsvormen [van de premoderne wereld]… waren stabieler op de lange termijn, [m]aar… men kan ze niet herstellen zonder verschrikkelijke bloedbaden en een soort apocalyps. Dus moet men de hel op aarde vermijden en werken binnen het kader van de daadwerkelijk nog bestaande politieke stabiliteit.’ (p.31) Een eigentijds Decisionisme is meer gebaat met het bevorderen van een organische ontwikkeling dan met het nastreven van een anachronistisch purisme.

Kernelementen van deze organische ontwikkeling zijn terug te vinden in de door Steuckers gereconstrueerde historische lijn van het Westers Decisionisme. Deels geseculariseerde maar nog steeds transcendent geïnspireerde aspecten van een ‘hoger belang’ dienend Decisionisme zijn terug te vinden in elkaar chronologisch opvolgende maar organisch verweven rechtsfilosofische noties: het Corpus Mysticum van Francisco Suárez (1548-1617), de volonté générale van Jean-Jacques Rousseau (1712-78), het élan vital van Henri Bergsonxxii (1859-1941), de omul nou van Corneliu Codreanu (1899-1938) en de Reichstheologie van Erich Przywara (1889-1972). Deze noties overstijgen alle 19e en 20e eeuwse ‘ismes’: ze overstijgen het fascisme (foutief in zoverre het in de staat een doel in plaats van een middel ziet), het nationalisme (foutief in zoverre het de natie een actieve in plaats van passieve rol toedenkt) en het parlementarisme (foutief in zoverre het procedures prioriteit geeft boven probleembestrijding). Er is dus een (semi-)Traditionalistische continuïteit die zich constant blijft ontwikkelen naast en tegen de gestage modernistische devolutie die nu is uitgelopen op het door de (trans-nationale en informele) potestas indirecta van de vijandelijke elite gerealiseerde Liberaal-Normativisme. Deze alternatieve Decisionistische lijn biedt houvast bij een Archeo-Futuristische deconstructie van het Liberaal-Normativisme: zij biedt een uitweg uit het op totale Staatsdämmerung gerichte neo-liberalisme en het op permanente Ersatz-Revolution gerichte cultuur-marxisme. Aan de periferie van het Westen zijn de eerste tekenen van een proto-Archeo-Futuristische reactie op het Liberaal-Normativisme al zichtbaar in het – door de Liberaal-Normativistisch propaganda zeer toepasselijk als ‘illiberaal’ betitelde – ‘Verlichte Decisionisme’ van Vladimir Poetin, Viktor Orbán en Recep Erdogan. De Westerse vijandelijke elite probeert een overslaan van de Decisionistische reactie op het Westerse hartland – al zichtbaar in ‘Brexit’, ‘Trump’, ‘LEGA’ – te voorkomen door een versnelde doorvoering van haar kernstrategieën: totalitair matriarchaat (anti-blank ‘multiculturalisme’, anti-masculien ‘transgenderisme’, anti-intellectuele ‘politieke correctheid’), sociale implosie (‘flitsechtscheiding’, ‘anti-conceptie’, ‘seksuele revolutie’) en etnische vervanging (‘vluchtelingenquota’, ‘migratiepacten’, ‘kennismigratie’).

Het succes van Nieuw Rechts in haar strijd tegen de vijandelijke elite zal echter niet alleen afhangen in een intellectuele revalidatie van het Decisionisme: het zal ook afhangen van een innerlijke herbeleving van het eraan ten grondslag liggende Wehr- und Waffen-Instinkt. Steuckers wijst in dit verband op de Traditioneel-Westerse ethiek van de kruisvaarder, dat wil zeggen het dubbel monastieke en ridderlijke archetype van de ‘militaire Katechon’. Er is een direct psycho-historisch verband tussen de Crisis van het Postmoderne Westen en het wegvallen van de Westerse monastieke en ridderlijke tradities. Steuckers wijst op het belang van het kruisvaarder ideaal in de Westerse geschiedenis, hooggestileerd in heroïsche figuren als Johann Tserclaes Graaf van Tilly, aanvoerder van de Katholieke Liga van 1610 tot 1632, en Prins Eugenius van Savoye, overwinnaar van de Franse erfvijand bij Blenheim (1704) en Oudenaerde (1708) en de Turkse aartsvijand bij Zenta (1697) en Belgrado (1717). Het vermogen van Nieuw Rechts tot een succesvol alternatief-Decisionistisch verzet tegen de Liberaal-Normativistische vijandelijke elite hangt mede af van een hervinden van het Westerse Wehr- und Waffen-Instinkt. Men moet in staat zijn tot een combinatie van fysieke, psychologische, intellectuele en spirituele strijd. De daartoe benodigde weerbaarheidoefening begint met een therapeutische behandeling van de psycho-historische trauma’s van het Westen.

Sessie 1: de positieve innerlijke herbeleving van de levenshouding die besloten ligt in oeroude – vanzelfsprekend Duitse en Pruisische – ‘taboewoorden’ als Beharrung, Kleinkrieg, Zermürbung, totaler Widerstand, totaler Krieg. Sessie 2: de transformatieve projectie van deze herbeleving op splinternieuwe, tot vreedzaam maar effectief burgerlijk verzet oproepende catch phrases als Take the Hit (Jared Taylor) en Great White Strike (Frodi Midjord). Sessie 3: het ontwikkelen van een onbuigzame onverzettelijkheid door een constante confrontatie met de vijand – innerlijk in wat in de Islamitische Traditie al-jihad al-akbar wordt genoemd en uiterlijk in wat de Augustiniaanse Traditie bellum justum wordt genoemd. Tegen de in deze weerbaarheidoefening aangekweekte discipline en moed zal deze vijandelijke elite het snel afleggen: de vijandelijke elite mag dan kwaadaardig zijn – ze is vooral ook laf.

Noch sitzt ihr da oben, ihr feigen Gestalten.
Vom Feinde bezahlt, dem Volke zum Spott.
Doch einst wird wieder Gerechtigkeit walten, dann richtet das Volk.
Dann genade Euch Gott!

– Theodor Körner

10. De Euraziatische dimensie

à tous les coeurs bien-nés que la patrie est chère

De strijd tegen de globalistisch denkende en opererende vijandelijke elite vergt méér dan alleen een Nieuw Rechts interventie op het niveau van iedere Westerse natiestaat voor zichzelf: deze strijd vergt ook een bepaalde mate van geopolitieke coördinatie op internationaal niveau. Steuckers levert in dit verband een hoogst originele actualisatie van Schmitt’s geopolitieke Land und Meer analyse (Schmitt). Steuckers stelt dat het naderende hoogtepunt van de globalisme – feitelijk het hoogtepunt van de door Schmitt geanalyseerde Atlantisch-Angelsaksische thalassocratie – wordt gekenmerkt door ‘pyro-politiek’, dat wil zeggen een dwangmatig proces van globalistische ‘brandstichting’ in alle delen van de wereld die niet direct toegankelijk en beheersbaar zijn door het zeemacht-gedragen globalisme. Les forces hydropolitique cherchent à détruire par tous les moyens possibles cette terre qui ne cesse de résister. Pour parvenir à cette fin, l’hydropolitique cherchera à provoquer des explosions sur les lambeaux de continent toujours résistants ou même simplement survivants. L’hydropolitique thalassocratique va alors chercher à mobiliser à son profit l’élément Feu comme allié, un Feu qu’elle ne va pas manier directement mais confier à des forces mercenaires, recrutées secrètement dans des pays ou des zones urbaines en déréliction, disposant d’une jeunesse masculine surabondante et sans emplois utiles. Ces forces mercenaires seront en charge des sales boulots de destruction pure, de destruction de tout ce qui ne s’était pas encore laissé submerger. ‘De hydro-politieke machten trachten met alle mogelijke middelen de landmachten te vernietigen die zich blijven verzetten [tegen de globalistische thalassocratie]. Om dat doel te bereiken tracht de hydro-politiek explosies te bewerkstellingen op de nog weerstand biedende of simpelweg overlevende flarden van continent[ale macht]. De thalassocratische hydro-politiek zal daarbij trachten aan haar zijde het element Vuur te mobiliseren – een element dat zij niet direct kan inzetten, maar dat zij toevertrouwt aan huurlingen legers die heimelijk worden gerekruteerd uit de overtollige en werkloze mannelijke jeugd van achtergebleven landen en buitenwijken. Zulke huurlingen legers kunnen worden ingezet voor vuile karwijtjes van pure vernietiging – vernietiging van alles wat zich niet heeft laten verdrinken [in het globalisme].’ (p.241)

Hiermee verklaart Steuckers een aantal actuele geopolitieke patronen zoals humanitarian interventions (Somalië 1992, Kosovo 1999, Libië 2011), proxy wars (Tsjetsjenië vanaf 1994, Sinkiang vanaf 2007, Syrië vanaf 2011) en etnische émeutes (Los Angeles 1992, Parijs 2005, Londen 2011). Ook de kunstmatige creatie van colour revolutions, separatist movements en failed states door de globalistische elite kan worden begrepen binnen het kader van Steuckers’ pyro-politiek. De auteur van dit opstel voegt hieraan toe dat het, in het verlengde hiervan, zelfs mogelijk is een aantal nóg grotere patronen te herinterpreteren. Zo kunnen (de via globale hyper-consumentisme en industriële outsourcing naar de Derde Wereld bewerkstelligde) antropogene klimaatverandering en (de via ‘ontwikkelingshulp’ aan de Derde Wereld gesponsorde) mondiale overbevolking en (de via ‘vluchtelingen verdragen’ en ‘humanitaire hulp’ gefaciliteerde) intercontinentale migratiestromen worden opgevat als gewilde globalistische experimenten in pyro-politiek. …La stratégie thalassocratique de mettre le Feu à des régions entières du globe en incitant à des révoltes, en ranimant des haines religieuses ou des conflits tribaux n’est certes pas nouvelle mais vient de prendre récemment des proportions plus gigantesque qu’auparavant dans l’histoire. C’est là le défi majeur lancé à l’Europe en cette deuxième décennie du XXIe siècle. ‘…De thalassocratische ‘verschroeide aarde’ strategie die hele regio’s tegelijk treft door het aanstichten van opstanden, het aanwakkeren van religieuze haat en het oprakelen van tribale conflicten is zeker niet nieuw maar heeft recent historisch ongeëvenaarde proporties aangenomen. Hierin ligt voor Europa de grootste uitdaging van het tweede decennium van de 21ste eeuw.’ (p.243)

Steuckers wijst op Schmitt’s rechtsfilosofische validatie van een geopolitieke visie die Europa een alternatief biedt voor de globalistische pyro-politiek: een Europese Monroe Doctrine. Dit alternatief ontleent haar rechtsfilosofische geldigheid aan de Decisionistische prioriteit van aardse Realpolitik boven abstracte ‘norm-politiek’: das Recht ist erdhaft und auf Erde bezogen. In de door Steuckers gereconstrueerde geopolitieke visie van Schmitt is het wrede primitivisme van de globalistische pyro-politiek te herleiden tot de rechtsfilosofische regressie die samenhangt met de opkomst van Amerika als thalassocratische supermacht – de Amerikaanse interventie in de Eerste Wereld Oorlog markeert daarbij het fatale omslagpunt. …Le droit n’existe pas sans territoire et… les civilisations se basent sur une organisation spécifique de l’espace (Raumordnung), d’où découle un jus publicum admis par tous. En Europe, de la fin du Moyen Age jusqu’au début de notre siècle, l’histoire a connu un jus publicum europaeum où l’on admettait que chaque Etat, chaque Nation menaient une guerre juste de son point de vue. Ce respect de l’adversaire et des [motives] qui le poussent à agir humanisera la guerre. Avec Wilson, on assiste à un retour à la discrimination entre les ennemis car l’Amérique s’arroge le droit de mener seule une guerre juste. ‘…Er bestaat geen recht zonder territorium en… alle beschavingen baseren zich op een specifiek-eigen ‘ruimtelijke ordening’ (Raumordnung) waaruit een jus publicum kan worden afgeleid dat door allen wordt erkend. Vanaf het einde van de Middeleeuwen tot aan het begin van [de 20e] eeuw kent de geschiedenis van Europa een jus publicum europaeum waarbinnen men erkende dat elke Staat en elke Natie vanuit het eigen perspectief een rechtvaardige oorlog mag voeren. Dit respect voor de vijand en voor de motieven die hem tot handelen aanzetten leidden tot een [relatieve] ‘humanisering’ van de oorlog. Maar met Wilson komt het tot een terugval naar discriminatie tussen vijanden, want [tijdens zijn presidentschap] matigt Amerika zich het exclusieve recht op de rechtvaardige oorlog toe.’ (p.19)

De abstract-normativistische rechtsfilosofie van de globalistische geopolitiek die voortborduurt op het Wilsoniaanse patroon kan slechts worden gedeconstrueerd door een systematische terugkeer naar concrete rechtsfilosofische Ortungen, dat wil zeggen letterlijke her-territorialisaties van plaatsgebonden rechtsordes – hierin ligt de rechtsfilosofische onderbouwing een levensvatbare multipolaire geopolitiek. Deze opvatting onderbouwt ook het (Neo-)Eurazianisme, zoals bepleit door Aleksandr Doegin.xxiii Het gedachtegoed van Doegin markeert in zekere zin de her-territorialisatie van de Russische staatsopvatting en de Russiche volksidentiteit na de zeventigjarige de-territorialisatie van het trans-nationale Sovjet project. En zo komt uit wat Steucker al in 1985, dus nog voor Gorbatsjov’s Glasnost en Perestroika, voorspelde: Quand les Russes cesseront de se laisser gouverner par de vieux idéocrates, ils seront à nouveau eux-mêmes: le peuple théophore, le peuple porteur du sublime. ‘Wanneer de Russen ophouden zich door oude ideocraten te laten besturen, dan zullen zij opnieuw zichzelf kunnen zijn: het theofore volk – het volk dat het Sublieme draagt.’ (p.27) Uit de miraculeuze wederopstanding van Rusland uit de as van het Sovjet-Communisme kunnen de Westerse volkeren inspiratie ontlenen voor hun eigen wederopstanding uit de as van het Liberaal-Normativisme.

Het uitgangspunt van een Eurazianistische ‘Monroe Doctrine’ voor de bescherming van de Europese volkeren ligt dus in de concrete rechtsfilosofische Ortung. Si l’Europe a un droit à l’identité, il convient de définir cette identité à la lumière du concret, en rappelant les lourdes concrétudes de l’histoire et sans ressasser ces pseudo-arguments complètement stériles qu’avancent tous les fétichistes adorateurs d’idéaux désincarnés. Parce que l’Europe n’est pas d’abord une idée, belle et abstraite… L’Europe, c’est d’abord une terre, un espace, morcelé en Etats nationaux depuis le XVIIe siècle, balkanisée avant la lettre en son centre géographique depuis ce pré-Yalta que furent les traités de Westphalie conclus en 1648. ‘Als Europa al een recht op identiteit heeft, dan dient die identiteit herleidbaar te zijn naar een concrete basis, met verwijzing naar de loodzware concrete lasten van de geschiedenis en zonder herhaling van de volstrekt steriele pseudo-argumentaties die worden gelanceerd door de zwijmelende fetisjisten van abstracte idealen. Want wat Europa vooral niet is, is een mooi abstract idee… Europa is in de eerste plaats een [fysiek] territorium, een gebied, sinds de 17e eeuw opgedeeld in natie-staten en al in zijn geografisch centrum ‘gebalkaniseerd’ avant la lettre sinds het proto-Yalta van het Verdrag van Westfalen dat werd ondertekend in 1648.’ (p.23) Het programma van een Eurazianistisch geopolitiek kan worden afgeleid uit dit uitgangspunt: Notre tâche, notre objectif, notre volonté: créer une ‘doctrine de Monroe’ européenne, une doctrine qui, en politique internationale, puisse regrouper les peuples par affinités culturelles en zones semi-autarciques autocentrées, gouvernées pas une conception de l’économie politique non-libérale, une conception de l’économie qui rejette le libre-échangisme et l’interdépendance économique mondialiste. ‘Onze taak, ons doel, onze wil: tot een ‘Monroe Doctrine’ te komen voor Europa – een doctrine die het internationaal politieke effect heeft van een hergroepering van de volkeren rond culturele affiniteit, semiautarkische en autocentrale zones, geleid door een niet-liberaal model van economische politiek – een model dat de globalistische principes van [onbeperkte] vrije markt principe en [onbegrensde] wederzijdse economische afhankelijkheid verwerpt’. (p.25) Het Eurazianistische project is dus gericht op her-territorialisaties: politiek in herstelde staatssoevereiniteit, sociaal in herstelde volksidentiteit en economisch in herstelde autarkie (maximale voedsel, energie, industrie autarkie in regionale welvaartssferen). L’économie, par la crise, nous défie et nous accuse d’avoir fait fausse route. La géopolitique nous dicte ses vieux déterminismes que personne ne peut contourner. Il n’y a que nos volontés qui vacillent, qui ne suivent pas l’implacable diktat du réel et de l’histoire. ‘[Chronische] economische crises dagen ons uit en laten ons zien dat we de verkeerde weg zijn ingeslagen. De geopolitiek dwingt ons [om te keren naar] oude wegen die in hun aardse vastheid door niemand kunnen worden omgeleid. Het is slechts onze wil die nog weifelt in het volgen van de onverbiddelijke wegwijzers van de aardse en historische realiteit.’ (p.27)

Nieuw Rechts kan zich bij het vinden van de wijsheid die nodig is om de globalistische vijandelijke elite te verslaan putten uit de erfenis van de grote denkers van de Westerse Traditie. Zij is dank verschuldigd aan Robert Steuckers voor het ontsluiten en actualiseren van het rijke gedachtegoed van Carl Schmitt – en voor het aanleveren van wapens om de vijandelijke elite voor eens en altijd het zwijgen op te leggen.

Zelf heb ik de smid geschapen,
die het kolenvuur aanblaast,
en gereedschap voor zijn werk te voorschijn brengt;
zo ben Ik het ook die de verdelger heeft geschapen om te gronde te richten.
Geen wapen, tegen u gesmeed, zal slagen,
en gij zult de schuld bewijzen
van elke tong die in het geding zich tegen u verheft.

– Jesaja 54:16-17

Noten

i Op Hitler’s sterfdag werd Schmitt in Berlijn door het Rode Leger gearresteerd maar na een kort verhoor werd hij meteen weer vrijgelaten. Hij werd later als potentieel verdachte bij het Neurenberger Tribunaal alsnog opgepakt en geïnterneerd door de Amerikaanse bezetter. Plettenberg, Schmitt’s geboorte-, woon- en sterfplaats, ligt in Westfalen en dus in de toenmalige Amerikaanse bezettingszone.

ii De volgende aantekening in zijn dagboek schetst Schmitt’s diep kritische houding tegenover de subrationeel-collectivistische (‘volksdemocratische’) wortels van het Naziregime: Wer ist der wahre Verbrecher, der wahre Urheber des Hitlerismus? Wer hat diese Figur erfunden? Wer hat die Greuelepisode in die Welt gesetzt? Wem verdanken wir die 12 Mio. [sic] toten Juden? Ich kann es euch sehr genau sagen: Hitler hat sich nicht selbst erfunden. Wir verdanken ihn dem echt demokratischen Gehirn, das die mythische Figur des unbekannten Soldaten des Ersten Weltkriegs ausgeheckt hat.

iii Hier wordt het ‘Westen’ gemakshalve gedefinieerd als het agglomeraat van de Europese natiestaten die hun oorsprong vinden in de West-Romeinse/Katholieke Traditie in plaats van de Oost-Romeins/Orthodoxe Traditie, kortweg West-Europa plus de overzeese Anglosfeer.

iv In de Klassieke Oudheid was (Grieks:) Hefaistos (Latijn: Vulcanus) de smid van de goden en beschermgod van de smeedkunst – dit dus in verwijzing naar ‘Schmitt’.

v Een ‘schuine’ verwijzing naar de titel (en inhoud) van het hoofdwerk van de Duitse filosoof Arthur Schopenhauer (1788-1860), Die Welt als Wille und Vorstellung.

vi Een belangrijke cultuurhistorische reflectie van deze regressie is te vinden in Thomas Hobbes’ midden-17e eeuwse visie van een universeel geprojecteerde (proto-sociaal-darwinistische) bellum omnium contra omnes.

vii Een bio- en psychosociale analyse van de cultuurhistorische inwerking van het Liberaal-Normativisme is te vinden in het werk van de Duitse socioloog Arnold Gehlen (1904-76). Zijn structurele oppositie tussen (anagogische) Zucht en (katagogische) Entartung laat een objectief meetbare analyse toe van het Liberaal-Normativistische de-socialisatie proces (sociale ‘deconstructie’).

viii De theologische verwijzing betreft een vroeg-Christelijke doctrinaire controverse die in de Westerse context werd beslecht ten voordele van de erfzonde-erkennende leer van Augustinus (354-430) en ten nadele van de erfzonde-ontkennende leer van Pelagius (360-418).

ix Het spookbeeld van de ultieme totalitaire staat, dat wil zeggen een leefwereld waarin de hele sociale en individuele sfeer is overwoekerd door de staat, vormt al het thema van vroeg 20ste eeuwse dystopische literaire klassieken zoals Jevgeni Zamjatin’s My (1924), Aldous Huxley’s Brave New World (1932) en George Orwell’s Nineteen Eighty-Four (1949).

x De sociologische omschrijving van sociaal-psychologische conditionering (hexis, mimesis) van Pierre Bourdieu.

xi Een verwijzing naar de heuvel nabij de Acropolis waar in de Klassieke Oudheid de Atheense senatoren bijeen plachten te komen.

xii Een voorafspiegeling van dit besluit is al terug te vinden in het gedachtegoed van één van de ideologische grondleggers van het transnationale project ‘Europese Unie’, Richard Graaf von Coudenhove-Kalergi (1894-1972). Het mogelijk bestaan van een dienovereenkomstig anti-Europees etnocidaal ‘Kalergi Plan’ is onderwerp van omstreden complottheorieën, maar de visie van Coudenhove-Kalergi laat niets aan duidelijkheid te wensen over: De toekomstige mens zal van gemengd ras zijn. Hedendaagse rassen en klassen zullen geleidelijk verdwijnen als gevolg van het verdwijnen van ruimte, tijd en van vooroordelen. Het Euraziatische-negroïde ras van de toekomst, dat uiterlijk zal lijken op de oude Egyptenaren, vervangt de verscheidenheid van volkeren met een verscheidenheid aan individuen. (Praktischer Idealismus p.22-3)

xiii Verg. https://tpo.nl/2018/12/23/sid-lukkassen-welke-ondermijnende-krachten-bedoelt-johan-remkes-eigenlijk/ .

xiv Een verwijzing naar Carl Schmitt’s rechtsfilosofische analyse van het fenomeen van de partizaan als ‘autoriteit in wording’ in de context van de volksoorlogen gevoerd door Mao Tse-Toeng in China, Vo Nguyen Giap in Vietnam en Ernesto ‘Che’ Guevara in Congo.

xv Marek Edelman werd op 8 mei 1943 de opvolger van Mordechai Anielewicz, na diens zelfmoord in de commandopost in 18 Mila Straat. De schrijver had lang geleden gelegenheid te spreken met toen nog levende getuigen van de Warschau Getto Opstand – hij woonde enige tijd vlakbij Edelman in de Poolse stad Lodz (Edelman was antizionist, vocht voor Polen in de Warschau Opstand van 1944 en woonde vervolgens in Lodz tot aan zijn dood in 2009).

xvi Verwijzingen naar, resp., de Duitse burgerbeweging die de soevereine rechten van de Bondsrepubliek afwijst en de Franse protestbeweging die het aftreden van President Macron eiste.

xvii Een verwijzing naar de Spaanse politieke filosoof Markies Donoso Cortés (1809-53).

xviii Chronologische terminologie volgens het schema van Sunset, 390-2: Vroege Moderniteit 1488-1776, Klassieke Moderniteit 1776-1920, Late Moderniteit 1920-1992, Post-Moderniteit 1992-heden.

xix Een eerste systematische poging tot hervatting van Heidegger’s lijn, gericht op een doorbraak van het historisch-materialistische Gestell van de Westerse Moderniteit en een uitbraak naar de ‘spectrale ruimte’ daarbuiten, is te vinden in het werk van Jason Jorjani.

xx Een verwijzing naar Jason Jorjani’s ‘magische’ interpretatie van de ontologische (Atlanticistische) transformatie van Japan die wordt voltrokken in de collectieve ervaring van nucleaire oorlogvoering.

xxi Carl Schmitt projecteerde deze rol ook op al vooruit Adolf Hitler als ‘beschermer van het recht’ (der Führer schützt das Recht) tegen de revolutionaire krachten van atavistische chaos die (tijdelijk) werden uitgeschakeld gedurende de Nacht der langen Messern.

xxii Een notie met de implicatie van morfogenetische synergie die wordt uitgewerkt in zijn hoofdwerk, L’Evolution créatrice – voor een Archeo-Futuristische herinterpretatie van élan vital, verg. Jason Jorjani’s Prometheus and Atlas (voor een relevante boekbespreking, verg. Alba Rosa, 209ff).

xxiii Verg. ook YouTube podcast kanaal Faust, ‘Discussing Eurazianism/Duginism with Dr Wolfheze’, 11 April 2021.

Leave a Reply

Your email address will not be published.